Compartimenten van vernietiging

Printvriendelijke versiePDF-versie
Abraham De Swaan
Raf Debaene

Abram de Swaan, Compartimenten van vernietiging. Over genocidale regimes en hun daders, Prometheus-Bert Bakker, Amsterdam, 2014, 312 p., € 24,95 ISBN 9789035140813

Compartimenten van vernietiging van Abram de Swaan krijgt veelbelovende kritieken. Knack van twee april 2014 noemt het een fascinerend boek en in De Morgen van 12 februari 2014 stelt Stijn Vanheule dat wie een up-to-date feitenverslag wenst te lezen van de massavernietigingen in de twintigste eeuw, dat bovendien ook nog eens goed geschreven is en accuraat ingaat op wetenschappelijke discussies, bij de Swaan zijn gading zal vinden.

Ontegensprekelijk getuigt een boek van 312 pagina’s, waarvan 27 pagina’s eindnoten en een literatuurlijst van 18 pagina’s, van een grote eruditie. Toch kan het mij niet overtuigen. Het geeft inderdaad in een 50-tal pagina’s een beknopt overzicht van de belangrijkste massavernietigingen van de twintigste eeuw, met aandacht voor nog heel wat andere massale uitroeiingen dan die door het nazisme en het stalinisme. In dat overzicht bepaalt de auteur massavernietiging als asymmetrische afslachting van weerloze burgers. Hij maakt  een verhelderend onderscheid tussen massavernietiging als razernij van de overwinnaars, als heerschappij door terreur, als razernij van de menigten (megapogroms) en als triomf van de verliezers. In dat laatste geval wordt de vernietiging van de geviseerde groep als doel op zichzelf nagestreefd. De energie die aan de massavernietiging wordt besteed, brengt de daders helemaal niet dichter van een overwinning, integendeel: ze bespoedigt zelfs de uiteindelijke eigen nederlaag. Koste wat het kost moet de als absolute waarde voorgestelde uitmoording tot het einde worden doorgevoerd.  Wat de razernij van de menigten betreft, tekent de Swaan aan dat die toch minder spontaan zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Ze wordt door autoriteiten gedoogd, gedirigeerd of geïnduceerd. Met name in verband met de communale massacres in India en Pakistan na de onafhankelijkheid en de afscheiding noteert de Swaan dat “achter het ‘spontane geweld’ een patroon van grootscheepse en effectieve organisatie schuilging: medeplichtigheid van de politie, en de koppige weigering van de autoriteiten om de daders te vervolgen.” (200) Op dezelfde manier maakt de auteur ons duidelijk dat in Rwanda de massale slachting van Tutsi’s door Hutu’s in 1994 geenszins beantwoordt aan het beeld van een soort primitieve en spontane stammenoorlog, niet alleen omdat het een bewuste campagne was van de interahamwebeweging van extreme Hutunationalisten met sterke steun binnen het regime maar ook omdat de etnische basis van het onderscheid tussen Hutu’s en Tutsi’s hoogst twijfelachtig is.

Boeiend maar iets te beknopt is ook de passage over hoe de deelnemers aan de massavernietiging er achteraf mee omgaan (‘Postgenocidale  genocidairs’, 236-242). In de meeste gevallen lijken ze er alleszins niet opvallend veel last van te hebben en zijn sporen van berouw of posttraumatische stress ver te zoeken. Als dergelijke emoties toch duidelijker naar boven komen, verklaart de Swaan dat  door de specifieke situatie: “Hoogstwaarschijnlijk verzwegen ze hun daden of biechtten ze op, betuigden ze meer of minder spijt, al dan niet oprecht, naar gelang van de omstandigheden, en brachten zo vermoedelijk hun gevoelsuitingen in overeenstemming met de sociale omgeving.” (239)

Compartimentalisering.

Het boek van de Swaan wil echter meer zijn dan een feitenrelaas. Het confronteert zich ook met de vraag hoe mensen in staat zijn tot dergelijke onmenselijkheid. Hoe is het mogelijk dat dergelijke grootschalige misdaad überhaupt kon worden bedreven? Wij gruwen toch bij het relaas ervan, laat staan dat wij ons zouden kunnen voorstellen er zelf aan deel te nemen?

De verklaring van de Swaan is reeds in de titel aangegeven: compartimentalisering. Aan een massamoord gaat heel wat vooraf. Geleidelijk aan wordt een bepaalde bevolkingsgroep afgezonderd in een apart compartiment, dat  sociaal-cultureel en/of letterlijk ruimtelijk kan zijn. Die afzondering gaat dan meestal hand in hand met identiteitsopbouw van de eigen groep, de eigen natie, het eigen ras, de eigen lotgenoten. Identificatie wordt immers versterkt door desidentificatie, waarbij de in eigen ogen verwerpelijke eigenschappen op de geviseerde groep worden geprojecteerd. De massaslachting wordt doorgaans eveneens gecompartimentaliseerd: zowel in de tijd (gedurende slechts een beperkte periode) als in de ruimte, op een aparte plaats. Ook de moordenaars zelf of toch minstens de voortrekkers vormen een aparte groep, worden geselecteerd, krijgen een speciaal statuut en doen hun werk buiten de eigen leefwereld. Bovendien compartimentaliseren ze ook nog eens op eigen houtje: de moordpartijen van overdag vormen een apart compartiment in hun eigen beleving, dat de rest van hun normale sociale bestaan niet lijkt aan te tasten. Onmenselijke moordenaar van nine to five en daarbuiten weer liefhebbende echtgenoot en vader, bij wijze van spreken. Tenslotte compartimentaliseren de daders nog eens zelf hun eigen persoonlijkheid (de Swaan spreekt eerder van een verdubbeling van de persoonlijkheid): een compartiment dat moordt en daarmee goed uit de voeten kan en een compartiment dat weer de doodgewone mens van alledag is. Dat laat de daders ook toe om na de feiten, als de rust is teruggekeerd en de oorlog afgelopen, zonder veel moeilijkheden weer een normaal en zelfs zeer behoorlijk te functioneren in de samenleving, alsof er nooit een vuiltje aan de lucht is geweest.

Onduidelijke probleemstelling

De Swaan verzet zich tegen “het grote cliché van onze tijd: potentieel zijn alle mensen genocidale daders, ze hebben alleen nooit in een situatie verkeerd waarin dat zou blijken. Er zit een verborgen kronkel in het argument dat de druk van de sociale situatie bijna altijd doorslaggevend is, en voor vrijwel iedereen: blijkbaar, als de overgrote meerderheid van de mensheid geneigd is zich meteen en geheel  aan de situatie aan te passen, autoriteiten te gehoorzamen en zich aan gelijken te conformeren, moet dat komen door een interne dispositie om dat te doen in situaties die dat uitlokken. Dan is dus iedereen voorbestemd om plooibaar te zijn. Maar deze visie op de mensheid impliceert een ‘overgesocialiseerd mensbeeld’, dat tegenstrijdige externe spanningen evenzeer negeert als de al even tegengestelde innerlijke strevingen waarmee mensen op de een of andere manier moeten zien te leven.” (44, mijn cursiveringen)

Mijns inziens zitten er in dit citaat toch ook enkele kronkels. Vooreerst is het nog maar zeer de vraag of dat werkelijk een hedendaags cliché is. Zou de opvatting dat de daders van massaslachtingen geen moorddadige aanleg hebben of in een kortstondige toestand van blinde razernij verkeerden, heden werkelijk zo weinig aanhang kennen? Zien wij in overgrote meerderheid dergelijke daders als onze gelijken? Herkennen wij ons zo gemakkelijk in hen? Zou de compartimentalisering van wij, mededogende weldenkende burgers, tegenover misdadige onmenselijke beulen vandaag werkelijk passé zijn?

Vervolgens: in het citaat zien we een verschuiving van ‘alle mensen’ naar ‘bijna altijd’ en ‘vrijwel iedereen’. Het is een lichte verschuiving, maar ze is betekenisvol en wordt trouwens enkele regels verder nog eens herhaald. Daar verschuift hij nu in de omgekeerde richting:  van het hypothetische ‘u en ik hadden in dezelfde omstandigheden misschien hetzelfde gedaan’ naar het affirmatieve ‘u en ik zouden duizenden andere mensen verkracht, gemarteld, doodgeschoten, verbrand en vergast hebben … in dezelfde omstandigheden.’ (44-45)

Verder: als mensen onder druk van omstandigheden tot bepaalde daden overgaan, volgt daar toch niet uit dat ze voor die daden gedispositioneerd zijn? Het is toch juist onder druk van de omstandigheden en niet op eigen initiatief? Ik heb bijvoorbeeld geen enkele neiging om een bordje kronkelende wormen te verorberen maar kan mij wel voorstellen dat ik onder bedreiging van een revolver mijn afkeer overwin en daar wel in slaag.

En nog: is niet iedereen voorbestemd om plooibaar te zijn? Hoewel flexibiliteit vandaag al te kritiekloos als een grote deugd wordt gepropageerd, is volstrekte starheid toch eerder een kenmerk van stenen dan van mensen?

En tenslotte: waarom zou dergelijk ‘overgesocialiseerd mensbeeld’  tegenstrijdige externe spanningen en interne strevingen miskennen? Doen wij dan altijd alles met volle goesting? Hoe vaak houden mensen zich niet aan de snelheidsbeperking enkel en alleen omwille van de mogelijke boete? Zouden de daders dan ook niet met tegenzin hebben kunnen handelen?

Het probleem met de Swaans redenering is dat zijn probleemstelling nooit helemaal duidelijk wordt en bovenvermelde verschuivingen zich meer dan eens voordoen in zijn tekst. 

Enerzijds lijkt hij zich te verzetten tegen een clichématig situationisme: de gedachte dat de situatie het gedrag volledig bepaalt en mensen dus alle verantwoordelijkheid en keuze ontneemt. Volledigheidshalve: hij stipt tevens aan dat de omgekeerde redenering, die stelt dat persoonlijke dispositie alles bepaalt, in hetzelfde bedje ziek is. Daarom kiest hij voor een tussenpositie, waarbij hij een beroep doet op de menselijke keuzevrijheid. (45) De vraag is of dergelijke strijd toch niet enigszins overbodig is. Is het niet al te gemakkelijk extreme posities te formuleren en dan aan te tonen dat ze niet kloppen, eenzijdig zijn en zaken over het hoofd zien?

De Swaan zelf staat een eigen benadering voor: oog hebben voor macro-, meso- en microsociale benadering en tegelijkertijd de individuele dispositie van daders niet uit het oog verliezen. In verband met die dispositie formuleert hij eerst een extreme positie: “…de hoofdvraag… : is iedereen geneigd om massaal te moorden, maar blijft die neiging sluimeren tot ze opgewekt wordt in een specifieke situatie?” (203) Toch wel een krasse voorstelling: ieder mens zit minstens onbewust te wachten tot hij de gelegenheid krijgt om te moorden. Na dergelijke formulering lijkt het alternatief – dat de Swaan zelf verdedigt – aantrekkelijk en vanzelfsprekend: “dat sommige mensen meer gedisponeerd zijn om massamoordenaars te worden dan anderen.” Alleen is de vraag wat er daar zo alternatief aan is: als de ene mensen meer gedisponeerd zijn tot massamoord dan de andere, dan zijn ze toch wel allen tot massamoord gedisponeerd?

Arendt, Milgram, Browning

De Swaan stelt dat het wijdverbreide situationistisch cliché het gevolg is van de vulgarisatie van de Arendt-Milgram-Browning-traditie. (44) Hij beklaagt er zich meermaals over dat onder hun invloed het beeld zou zijn ontstaan dat de daders doodgewone mensen waren en voor de Swaan betekent dat zonder meer hetzelfde als dat u en ik vandaag nog van het ene moment op het andere gezwind aan een massamoord zouden kunnen deelnemen op elke willekeurige groep mensen. (“Ik betwijfel ten zeerste of ik, of de meesten van mijn lezers, als we naar een executieplaats gebracht zouden worden, als automaten meteen mensen waren gaan doodslaan, doodsteken, doodschieten en vergassen. … Er zou meer voor nodig zijn om beulen van ons te maken: doodsbedreigingen en overweldigende dwang – of een heel andere voorgeschiedenis. … Maar dan (door die hele andere voorgeschiedenis, mijn opmerking) zouden u of ik iemand anders zijn geweest.” (206))

Volgens de Swaan zou dat vandaag dus de overheersende idee zijn en dat alles zou het gevolg zijn van de vulgarisatie van de Arendt-Milgram-Browning-traditie. (44) Waar hij hier nog de schuld voor het volgens hem wijdverspreide cliché op vulgarisatie schuift, vindt hij het anderzijds in zijn tekst toch nodig te wijzen op de zwakke plekken in de redeneringen van de drie genoemde auteurs.

Zo had Arendt het volkomen mis als ze Eichmann banaal vond, een geborneerd persoon die niet in staat was tot ‘denken’ in de zin van zich in de werkelijkheid voor te stellen wat hij aan het doen was of zich in de plaats te stellen van zijn slachtoffers. Volgens Arendt was hij geen bloeddorstige misdadiger die genoot van de wreedheid, maar alleen maar een gedachteloze carrièrist, die er in de eerste plaats wilde bijhoren. De Swaan brengt daartegen weinig eigen overtuigende argumentatie maar gebruikt wel het gezagsargument van andere studies. Hij  stelt wel dat de beklaagde zich voor de rechtbank anders voordeed dan hij werkelijk was, om zijn huid te redden. Maar meer dan een veronderstelling is dat niet. Daarnaast wijst de Swaan op de onnoemelijkheid van de misdaad van Eichmann en het feit dat hij daarbij meer ijver aan de dag legde dan van hem verlangd werd. Maar natuurlijk is dat geen argument: de grootheid van de misdaad bewijst niet de grootheid van de misdadiger noch op de uiterste kwaadaardigheid van de dader, dat is juist het punt van Arendt. Dat Eichmann aan de top stond, betekent helemaal niet dat hij een topfiguur was: we kennen in de dagelijkse samenleving toch voldoende voorbeelden van mensen met een hoge functie waar de banaliteit verder gewoon van afdruipt. Volgzaamheid, flexibiliteit, geen eigen mening hebben en zich geen vragen stellen zijn zeker geen belemmeringen voor succes op de maatschappelijke ladder, soms zelfs zeer bevorderlijk en in bepaalde omstandigheden verschrikkelijk misdadig.

De Swaan vermeldt daarnaast nog een interview van Eichmann met Willem Sassen, een Nederlandse SS-er in Argentinië, waarin Eichmann verklaart nergens spijt van te hebben maar dat hij juist tevreden zou zijn als hij alle Joden had vermoord. Maar natuurlijk bevestigt dat alleen maar wat Arendt stelt: dat Eichmann niet ‘denkt’ in de zin van zich op de plaats van een ander, dat hij gewoon gedachteloos is en onder alte Kameraden de taal en de mentaliteit van weleer aannam om erbij te horen. Ook daar is hij een meeloper.

Wat Milgrams experiment betreft stelt de Swaan terecht dat een aantal proefpersonen ook niet gehoorzamen. Milgram heeft het nooit anders beweerd en ik heb het ook nooit anders horen vertellen. Het onderzoek wil dan ook niet bewijzen dat iedereen onder gezag overgaat tot de verschrikkelijkste misdaden. Het is al schrikbarend genoeg als meer dan de helft van een willekeurige groep mensen daartoe in staat blijken. Daarnaast relativeert de Swaan de waarde van het onderzoek door te veronderstellen dat de proefpersonen eigenlijk de hele situatie meer beleefden als een ernstig spel dan als echte werkelijkheid, omdat de ‘slachtoffers’ niet echt geëlektrocuteerd werden. Maar is dat toch niet al te gemakkelijk?

Ten slotte richt de Swaan zijn pijlen op Doodgewone mannen,  het onderzoek van Christopher Browning over politiebataljon 101. Die rekruten wisten van te voren niet dat zij in Oost-Europa zouden worden ingezet om massaal Joden op te pakken en met het geweer neer te schieten. Zelfs als hun majoor hun de opdracht meedeelt en hun heel uitdrukkelijk zegt dat ze geen negatieve gevolgen zullen ondervinden als ze daar niet aan meedoen, is er slechts een miniem aantal dat die kans grijpt (een twaalftal op vijfhonderd).

De Swaan geeft terecht aan dat Milgram en Browning nooit onderzoek hebben verricht naar de persoonlijkheid van de proefpersonen en de daders. Daardoor is het onmogelijk in te schatten of de verschillende reacties ook te maken hadden met verschillende persoonlijkheid, iets wat de Swaan wel veronderstelt. Verschillende reacties in gelijke omstandigheden moéten wel worden verklaard door verschillen in persoonlijkheid. Dat is een vrij aannemelijke redenering (hoewel: waar blijf je dan met de Swaans keuzevrijheid van pagina 45?) die echter op geen enkele manier bewijst dat deze mensen geen doordeweekse gewone mensen  waren. ‘Verschillen’ en ‘uitzonderlijk zijn’ is toch helemaal niet hetzelfde! Meer bepaald in dit geval: als er al één of een groep persoonlijkheidskenmerken eerder met uitvoeren dan met weigeren zou verbonden zijn, dan zegt nog niks dat die kenmerken niet even goed bevorderlijk zijn voor heel gewone noodzakelijke en respectabele maatschappelijke functies. Wat in elk geval vast staat is dat die mensen (de daders en de gewillige proefpersonen) in de samenleving helemaal niet uit de band sprongen en in die zin wel degelijk heel gewone mensen waren.

Ten slotte richt de auteur zijn pijlen op Zygmunt Baumans Modernity and the Holocaust. Maar ook hier weer zien we verschuivingen in zijn relaas. Waar hij op pagina’s 46-50 nog een beknopt maar toch vrij genuanceerd beeld geeft van Baumans stelling dat de Holocaust wel degelijk een modern fenomeen is en niet zonder meer een atavisme, heet het op pagina 251 dat Bauman massavernietiging als een essentieel kenmerk van de Moderne Tijd beschouwde. Dat is een schromelijk eenzijdige en overdreven voorstelling van Baumans opvatting. Dat zou er immers op neerkomen dat volgens Bauman de Moderne Tijd niet anders kon dan de Holocaust aanrichten, dat de Holocaust logisch voortvloeide uit de rationaliteit van de Moderne Tijd. Maar dat klopt helemaal niet: Bauman zegt integendeel dat de moderniteit wel een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde was voor de Holocaust.[i] “De Holocaust was een unieke ontmoeting van oude tendensen, die de moderniteit veronachtzaamde, onderschatte of niet kon oplossen – en van de machtige instrumenten van rationeel en doeltreffend handelen die de moderne ontwikkeling zelf tot stand bracht.”[ii] De Swaan brengt overigens ook een heel weinig overtuigend argument in tegen Bauman: die zou over het hoofd zien dat er in de vernietigingskampen  ook chaotische wreedheid en barbarij heerste. (251) Maar wat betekent dat? De baldadigheid, het uitzinnige geweld dat met de uiteindelijke uitvoering van de industriële vernietiging gepaard ging, neemt helemaal niet weg dat dit slechts een laatste stap was van het rationele management van de uitroeiing.

Bovendien, het simpele maar brutale feit dat de Holocaust zich halverwege de twintigste eeuw voordoet, toont toch minstens aan dat de Moderne Tijd niet zonder meer de garantie is van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid? Vormt dat dan helemaal geen probleem?

Gevecht tegen een karikatuur

De vraag is uiteindelijk waar de Swaan naartoe wil. Hij keert zich uitdrukkelijk tegen de opvatting dat doodgewone mensen in staat blijken tot de meest ondenkbare moorddadigheid. Maar van die opvatting maakt hij een karikatuur: ze zou betekenen dat elk van ons van het ene moment op het andere zonder enig bezwaar bereid zou zijn om in alle gemoedsrust massaal aan het moorden te slaan. Noch Arendt, noch Browning, noch Milgram hebben dat ooit beweerd. Zelf brengt de Swaan macro-, meso- en microsociale factoren in rekening om bijvoorbeeld het gedrag van de doodgewone mannen van politiebataljon 101 te verklaren en zegt dat ze juist vanwege die omstandigheden niet doodgewoon zijn. Maar waarin verschilt hij dan van diegenen die beweren dat het wel eens mogelijk zou zijn dat wij in hun plaats hetzelfde zouden hebben gedaan?

Door zich te verzetten tegen een karikatuur, maakt de Swaan het zichzelf wat al te gemakkelijk en negeert hij het verontrustende dat Arendt, Browning, Milgram en Bauman ons te denken geven: dat het ultieme, voor ons onvoorstelbare kwaad nog steeds een menselijke mogelijkheid blijft en dat het zeker niet alleen op rekening te schrijven valt van uitzonderlijke sadisten, maar ook van mensen die in de dagelijkse zin van het woord doodgewoon zijn. Dat is verontrustend: het kwade heeft geen absolute kwaadaardigheid nodig om voltrokken te worden, en hoe normaal onze wereld en onze omgangsvormen er hier vandaag ook mogen uitzien, we kunnen niet met zekerheid zeggen dat we binnen afzienbare tijd  geen redenen menen te zien om  net hetzelfde te doen. Arendt, Browning, Milgram en Bauman zijn geen onheilsprofeten noch eenzijdige pessimisten in verband met de menselijke natuur of moderne cultuur.  Van hen kunnen we wel leren dat we ons niet zomaar kunnen nestelen in de geruststellende zelfgenoegzaamheid dat wij geen monsters zijn; dat wij, gewone stervelingen, hemelsbreed verschillen van de daders van massaslachtingen; dat wij, leden van de moderne beschaving, alleen maar door een terugval  (regressie) tot dergelijke onmenselijkheid zouden kunnen komen; dat dergelijke ‘regressie in dienst van het regime’ grotendeels het gevolg zou zijn van bewuste manipulatie door gewetenloze leiders; dat we zelfs in laatste instantie nog over een vrije keuze beschikken waardoor we simpelweg kunnen weigeren mee te doen.

Het is merkwaardig dat de Swaan in zijn strijd tegen de situationistische benadering juist meent Arendt, Browning, Milgram en Bauman te moeten aanvallen: er is mijns inziens weinig reden om hen van dergelijke benadering te beschuldigen. Arendt wijst op de gedachteloosheid van Eichmann, maar beschouwt dat helemaal niet als een universeel menselijk kenmerk dat iedereen tot speelbal van de situatie maakt en bovendien nog van zijn verantwoordelijkheid ontslaat; Milgram wijst op de grote impact van autoriteit, die in een angstwekkend aantal gevallen – maar niet alle – het normale geweten aan de kant weet te zetten; Bauman wijst op een aantal moderne trekken in de Holocaust – maar zegt niet dat hij  exclusief modern is noch dat de daders willoos reageren op een situatie. Ook Brownings beschrijving van politiebataljon 101 toont alleen maar dat die daders opvallend normaal waren, in de dagelijkse betekenis van het woord. Ook Browning stelt helemaal niet dat iedereen in die omstandigheden willoos op dezelfde manier reageert.

Het is daarnaast opvallend dat de Swaan de vrije keuze, waarover hij het heeft op pagina 45  in zijn verdere verklaring niet meer vermeldt. Wel heeft hij het nog over de individuele dispositie, die hij echter op pagina 42 geen tegenpool noemt van de situatie. Zoals ik het kan opmaken uit zijn beschrijving is de individuele dispositie van de daders niets anders dan het gevolg van de individuele geschiedenis van de daders in bepaalde macro-, meso- en micro-sociale omstandigheden en de veronderstelling dat er ook nog ergens een stukje genetische of biologische grond zou zijn voor de persoonlijkheid. Niemand betwijfelt dat ieder mens een individuele geschiedenis heeft en dat hij mede daardoor uniek is en dat die uniciteit mede verantwoordelijk is voor eigen gedrag in een situatie, maar daarmee is nog niet het bestaan van een specifieke individuele massamoorddadersdispositie aangetoond. Maar bovenal: wat is het wezenlijke belang van  de bewering dat de individuele dispositie en het individueel handelen het gevolg is van niet alleen micro- maar ook van macro- en mesosociale omstandigheden? Wat is het verschil met het ‘overgesocialiseerd mensbeeld’ dat hij aanklaagt? Vanuit het perspectief van verantwoordelijkheid en individuele keuze, dat de Swaan toch zegt belangrijk te vinden, maakt dat nauwelijks verschil uit. Een randbemerking in dat verband: over Brownings politiebataljon 101 vermeldt de Swaan: “De meesten van hen… hadden thuis en op school het alomtegenwoordige antisemitisme in al zijn verschijningsvormen opgezogen, met inbegrip van de fanatieke eliminationistische versie zoals uitgedragen door de nazi’s.” (220) Als je bedenkt dat hun gemiddelde leeftijd op het moment van de feiten 39 jaar is, waren ze dus in 1933 gemiddeld 30 jaar en was hun schooltijd niet doordrongen van de nazistische eliminationistische versie van antisemitisme. Is de Swaan hier iets al te gretig om zijn punt te maken?

Het blijft onbegrijpelijk wat de Swaan eigenlijk voor ogen heeft. Heel zijn analyse blijft een historische en sociologische benadering en is in die mate waardevol. Hij verzet zich tegen een boutade (‘U en ik zouden in dezelfde omstandigheden net hetzelfde hebben gedaan’) die mijns inziens het meest in zijn eigen verbeelding bestaat, maar zeker niet toe te schrijven noch te wijten is aan Arendt-Milgram-Browning-Bauman. Zo lijdt het boek aan een vrij zinloze polemische opstelling, die de waardevolle inzichten verduisteren van zowel de Swaan als van de auteurs waartegen hij vruchteloos polemiseert. Op geen enkele manier kan hij immers duidelijk maken dat het ultieme kwaad niet tot de menselijke mogelijkheden behoort en dat we zeker kunnen zijn dat wij daartoe niet in staat zouden zijn: als de massahaat en –vernietiging kan berusten op de manipulatie van latente thema’s in een bepaalde cultuur (56), dan is toch wel heel wat mogelijk: wat zou er op heden bij ons niet allemaal latent kunnen zijn? Om nog maar te zwijgen van de bij sommige groepen manifeste angst voor en haat tegen hoofddoeken of anderstalige andersgezinde politici?

Het blijft jammer dat de auteur het waardevolle en verhelderende begrip ‘compartimentalisering’ vooral lijkt in te zetten om een helder onderscheid te maken tussen goed en kwaad, tussen wij (‘U en ik’) en zij (de daders, die niet gewoon zijn). Het ontstellende is dat zovelen bereid zijn om tot in het uiterste mee te doen aan en mee te gaan in die compartimentalisering, ondanks eeuwen beschaving.

 

                Raf DEBAENE (Vinkt)

 

[i] Zygmunt Bauman, Modernity and the Holocaust, Politiy Press, Cambridge, 1993, p.13.

[ii] Ibidem p.xiv.

Recensie