De Dijn en de vrijheid

Printvriendelijke versiePDF-versie
Herman De Dijn
Evelien Van Beeck

Herman De Dijn, Hoe overleven we de Vrijheid? Twintig jaar later,. Kalmthout, Pelckmans, 2014, 176 p., ISBN9789028978997, 15 €

Twintig jaar geleden bracht Herman De Dijn zijn boek Hoe overleven we de vrijheid? (1994) voor de eerste maal uit. Zijn bedoeling was dubbel. Eerst en vooral wilde hij de postmoderne samenleving analyseren. Daarnaast wilde hij onderzoeken of deze een impact had op fundamentele menselijke waarden, zoals vrijheid en vertrouwen.

De Dijn (1943) , emeritus hoogleraar van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven, is auteur van verscheidene boeken. Zo schreef hij onder andere Taboes, monsters en loterijen (2003), Spinoza. De doornen en de roos (2009) en meer recent Vloeibare Waarden (2014). Hij schreef is ook bekend van de boeken die hij schreef met zijn vriend en collega Arnold Burms, zoals De sacraliteit van leven en dood (2011) en De rationaliteit en haar grenzen (2005). Hoe overleven we de vrijheid?Twintig jaar later (2014) is naast een beschrijving van onze postmoderne samenleving ook en vooral een kritische reflectie. De Dijn stelde reeds in 1994 vast “dat er iets grondig aan het veranderen was in de moderne synthese tussen traditie (groepstradities) en moderniteit zoals die gold tot aan de jaren zestig.” (p. 7). De nadruk kwam meer en meer te liggen op individualisme en individuele zelfontplooiing. Twintig jaar later stelt hij vast hoe hij met zijn analyse helemaal juist zat. Ook vandaag wil hij ons nog waarschuwen voor de mogelijke gevaarlijke neveneffecten van de maatschappelijk-culturele (r)evolutie van de laatste decennia van de vorige eeuw: “een zekere ontwaarding van de waarden heeft zich sterker en sterker doorgezet, vooral onder invloed van het markt- en beheersingsdenken.” (p.144)

De Dijn doet in zijn boek beroep op literatuur en film om zijn stellingen te staven, want, zo schrijft hij, “zij vormen immers een bepaald soort van reflectie op, en expressie van het geleefde leven. Vandaar de verwijzingen in dit boek naar auteurs als Kellendonk (ik zou daar vandaag zeker Houellebecq aan toevoegen) of filmmakers als Hitchcock, Woody Allen of Stanley Kubrick” (p. 146) De Dijn maakt gebruik van een grondige analyse die vertrekt van het idee van een ‘mystiek lichaam’, een oorspronkelijk christelijke term die hij ontleent aan romanschrijver Frans Kellendonk  en zo, naar eigen zeggen, een perfect seculiere betekenis krijgt. De postmoderne mens denkt het zogenaamde mystieke lichaam te kunnen overstijgen. Archaïsche symbolen en tekens die toch nog overbleven zou hij bewust kunnen sturen en naar zijn hand zetten. Op het scherpst van de snede speelt dit een rol in het ambigue postmoderne zoeken naar zingeving: “Langs de ene kant blijven allerlei symbolen en waarden een appel uitoefenen, langs de andere kant poogt men dat appel en die fascinatie te organiseren en te beheren.” (p.15) Met andere woorden, de postmoderne mens experimenteert continu met grenzen. Daarnaast weet hij zich geplaatst in een wereld waarin de grote verhalen dood zijn en waarin hij zich volledig teruggeworpen weet op zichzelf. Hij leeft in een constante staat van verwarring. De vrijheid die hij kent is radicaal –- ze stelt hem in staat met zijn leven aan te vangen wat hij maar wil in het verlichtingsideaal van de autonomie. Toch leidde dit als zodanig niet naar een transformatie van waarden, als wel tot een devaluatiee ervan. Het ideaal was niet realistisch – zo bleek dat de mens niet over waarden beslist, als wel erdoor aangesproken wordt.  Cultuur-historisch bleek het ideaal niet te concretiseren in een positieve inhoud – de ontevredenheid over de huidige manier van leven hield stand en bepaalde menselijke verhoudingen en waarden bleken niet zomaar te ondermijnen. Niet in het minst bij intellectuelen leidde dit tot een ironisch-esthetische levenshouding; een spottende, zogenaamd ontmaskerende houding ten aanzien van ‘de stupiditeit van de massa’ en een algeheel cynisme. Als resultaat gaan vandaag de dag sommige mensen op zoek naar allerlei kicks en excessen, anderen proberen oude tradities in ere te herstellen in een restauratieve poging, en enkelingen zoeken troost in ascetisme. De Dijn weegt zowel de voor- als nadelen van deze posities af. Vervolgens vraagt hij zich af of moderne verworvenheden, zoals democratie, mensenrechten en tolerantie een uitweg kunnen bieden en opnieuw een gemeenschappelijke waardenbeleving tot stand kunnen brengen. Hij verwijst hier naar een uitspraak van Martin Heidegger: “Alleen een God kan ons redden.” Het ontbreekt ons aan een truc om de huidige maatschappelijke malaise te doorbreken en de crisis situeert zich zowel in ethische als in religieuze zingevingskaders. Vooral jongeren zijn hiervoor kwetsbaar, waarschuwt De Dijn. “Door de enorme nadruk op autonomie of zelfbeschikking wordt zoeken naar identiteit een loodzware opgave waarbij jongeren niet gemakkelijk kunnen terugvallen op vooraf gegeven betekenissen en rollen”. (p. 55)

De Dijns analyse geeft ons een besef van contingentie. Dit blijft niet zonder gevolgen voor de ethiek. Als zodanig kan zij geen duidelijk afgelijnde oordelen meer vellen. De Dijn onderscheidt twee posities, een liberale en een conservatieve. De eerste zegt dat we respect voor het zelfbeschikkingsrecht altijd moeten laten prevaleren, de andere dat fundamentele waarden zelf rechten hebben. “Wat moet er gebeuren wanneer twee individuen of groepen met elkaar dienen samen te leven die sterk verschillende of tegengestelde waardesystemen hebben?” (p. 91) De Dijn benadrukt in zijn volgende hoofdstukken het belang van overgave, vertrouwen, traagheid en redelijkheid. De waarde van bepaalde traditionele waarden kan noch objectief, noch subjectief worden aangetoond. Men kan ze niet strikt argumentatief uitleggen. Vertrouwen is voor De Dijn de waarde bij uitstek om de vrijheid te overleven. De Dijn legt uit wat vertrouwen is aan de hand van intieme relaties. Ook daar speelt het vertrouwen zich af zonder bewijs ervoor. Meer zelfs, wanneer men op zoek gaat naar bewijzen, betekent dit reeds dat er geen sprake meer is van vertrouwen. De Dijn veralgemeent dit. Zelfs in een wetenschappelijke technische activiteit komt er een punt waarin men zich moet overgeven. Vertrouwen is altijd een fundamentele presuppositie, zo vindt hij. Dat betekent dat men zich verhoudt tot het onbeheersbare – niet evident in een tijd die gericht is op het maakbare en manipuleerbare.

Hoe overleven we de vrijheid? Twintig jaar later (2014) kan zowel gelezen worden als een sociologisch als filosofisch boek. Het werpt een heldere blik op onze samenleving vandaag de dag, zowel op haar ontwikkeling als op haar grondslagen. Tevens doet het stilstaan bij bepaalde evidenties die misschien niet zo vanzelfsprekend zijn als ze op het eerste zicht lijken. Vanwaar komen het hedendaagse cynisme en het gevoel van zinsverlies? Zonder te (ver)oordelen zet De Dijn kritische vraagtekens bij bepaalde postmoderne fenomenen zoals het spelen met grenzen en de soms narcistische individuele zelfontplooiing. Hij laat zien welke betekenis ‘traditionele’ waarden in zich dragen en hoe zij ook vandaag de dag nog een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld in het ervaren van gemeenschapszin. Het boek is geschreven in een heldere, begrijpelijke taal en bouwt zijn analyse systematisch op, waardoor het boeiend blijft tot de laatste bladzijde. In die zin is het zeker een uitnodiging om ook het boek Vloeibare Waarden te lezen, waarin hij ingaat op thema’s als politiek, zorg en onderwijs in de laatmoderne tijd. Twintig jaar na de eerste publicatie blijft Hoe overleven we de vrijheid? verrassend actueel. De Dijn is dan ook één van onze grote hedendaagse Vlaamse filosofen.

Evelien VAN BEECK (Leuven)

Recensie