De geboorte van de biopolitiek: Colleges aan het Collège de France (1979)

Printvriendelijke versiePDF-versie
Michel Foucault
Rob Devos

Michel Foucault, De geboorte van de biopolitiek. Colleges aan het Collège de France (1979), uit het Frans vert. d. Jeanne Holierhoek,  Amsterdam, Boom, 2013, 412 p. € 39,50 ISBN 9789461057051

De uitgeverij Gallimard is bijna rond met de publicatie van de lessen die Michel Foucault gaf aan het Collège de France als titularis van Geschiedenis van de denksystemen. Twee cursussen werden ook al vertaald in het Nederlands: De moed tot waarheid uit 1983-1984 (Amsterdam, Boom, 2011) en recent De geboorte van de biopolitiek uit 1979.

De titel is misleidend. Foucault bespreekt niet de biopolitiek, of beter: hij zegt dat hij de biopolitiek wil kaderen binnen de bestuurskunst. Het thema van de biopolitiek werd geïntroduceerd in La volonté de savoir (1976). De moderne machtsuitoefening neemt volgens dat boek twee vormen aan: enerzijds de disciplinering van de individuele lichamen, die we reeds kennen uit Naissance de la prison (1975), anderzijds de biopolitiek van de soort of bevolkingspolitiek. Sinds 1976 wijzigde Foucault echter zijn machtsconcept. Hij definieert macht als conduire les conduites. Macht uitoefenen betekent dat een actor het gedrag van een andere actor stuurt (probeert te sturen). La gouvernementalité is dan het bestuur door de politieke overheid van het gedrag van de burgers, inclusief de reflectie over het domein, de methoden, de doelstellingen van die praktijken. In casu bestudeert Foucault hier het neoliberale bestuur, zoals het aanvankelijk theoretisch uitgewerkt werd in de neoliberale denktanks. Sinds eind de jaren 1980 werd dit beleid praktisch dominant. Foucault heeft het niet meer meegemaakt, maar zijn colleges zijn in die zin profetisch gebleken.

Het neoliberalisme is niet alleen een economische theorie of een politieke ideologie, maar ook en vooral een specifiek omgaan tussen overheid en burgers. Het klassieke liberalisme kwam op in landen met een sterke staat. De eerste colleges gaan over deze staatsraison (raison d’ Etat). De liberalen wilden traditioneel de rol van de staat zoveel mogelijk beperken en aldus ruimte scheppen voor de markt, opgevat als plaats van ruilverhoudingen. Hun motto was: Quieta non movere, de staat moet niet raken aan wat rustig is. Zij maken, in de lijn van Jeremy Bentham, een lijst van de (weinige) agenda en de (vele) non-agenda. Het neoliberalisme daarentegen wordt ontwikkeld in de VS en in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. Het kent aan de staat een heel actieve, maar specifieke taak toe in de opbouw van de markt, opgevat als plaats van concurrentie. Voor de markt geldt: niet gelijkheid, maar ongelijkheid. Voor de overheid geldt: niet laissez faire, maar ne laissez pas faire. Begrijp dit wel, de overheid moet geen medespeler op de markt willen zijn. Vooral Keynes en zijn volgelingen staan onder neoliberale kritiek, met hun inzet op sociale voorzieningen, goedkope toegang tot onderwijs en cultuur, hun prijsbeleid, werkgelegenheidscreatie, overheidsplanning en –investeringen. In die zin, en alleen in die zin moet de staat ‘ontvet’ worden en de overheid ‘terugtreden’. De politiek moet volgens de neoliberalen de institutionele randvoorwaarden scheppen voor de markt als competitieruimte, dat wil zeggen een ‘raamwerkbeleid’ voeren. De Duitse Ordoliberalen van de Freiburger Schule waren beïnvloed door de fenomenologie van Husserl: de concurrentie is geen natuurgegeven, maar een formaliseringsprincipe, een wezen of eidos, een doel dat een langdurig en ingrijpend nagestreefd moet worden. ‘Juist de markt, juist zuivere concurrentie als essentie van de markt kan zich uitsluitend manifesteren wanneer ze tot stand wordt gebracht, wordt geproduceerd door een actieve gouvernementaliteit. (p. 162).

Het Amerikaanse neoliberalisme van de Chicago School is veel radicaler dan het Duitse. Het Ordoliberalisme wil de markt beschermen door het formele kader te scheppen voor de vrije, kwetsbare concurrentie. Maar tegelijk moet in die optiek de politieke overheid de zogenaamde ‘warme waarden’, die cirkelen rond levenskwaliteit en samenhorigheid, promoveren en zo een tegenwicht bieden tegen de ‘koude waarden’ van de concurrentie, wat men Gesellschafspolitik of Vitalpolitik noemt. De Amerikanen stellen zich veel rechtlijniger op. Zij veralgemenen het concurrentiemodel tot de hele maatschappij. Als theoretisch intelligibiliteitsprincipe: alle menselijke gedragingen kunnen begrepen worden als investeringen van competitieve spelers die gericht zijn op winstmaximalisatie. Dit geldt niet alleen voor economische activiteiten, bij voorbeeld arbeid: de arbeider beschikt over een bepaald kapitaal (met zijn lichaam verbonden vaardigheden en kennis, hij maakt een onkost (inspanning) en boekt een zo hoog mogelijke winst (loon). Hetzelfde model wordt toegepast op opvoeding en onderwijs, het huwelijk, criminaliteit, enzovoort. Een student bijvoorbeeld investeert (nu) in zijn opleiding, om zijn humane kapitaal (later) maximaal te laten renderen. (In de actuele discussie over de verhoging van de inschrijvingskosten voor het hoger onderwijs hanteren de neoliberalen onverbloemd dit argumentatiemodel.) De Italiaanse radicalen spreken hier, uitdrukkelijker dan Foucault, van biomacht. Het neoliberale bestuur bestrijkt het hele leven, kwantitatief (arbeidstijd en vrije tijd) en kwalitatief (kennis, taal, affecten).

Het economische model fungeert ook als praktisch beginsel van bestuurskunst. Het politieke beleid met betrekking tot gezondheid en welzijn, onderwijs en vorming, cultuur, wordt bepaald en beoordeeld in termen van efficiëntie, input en output, investering en opbrengst. Het optreden van de overheid ten aanzien van de burgers wordt beschouwd als management dat met een ondernemingslogica gestuurd en geëvalueerd moet worden.

Voor Foucault is macht het sturen van gedragingen, wat subjectiviteit en verzet impliceert. Het eerste element komt in deze colleges goed uit de verf. Het neoliberale bestuur produceert een bepaalde subjectiviteit. De individuen moeten zichzelf bekijken en beleven als de managers van hun eigen leven. Hun kennis, vaardigheden en attitudes zijn humaan kapitaal, dat zij maximaal laten renderen, in competitie met anderen en met zichzelf. De resultaten, dat wil zeggen hun ‘output’, is meetbaar, dus vatbaar voor vergelijking en verbetering. Het tweede element, verzet tegen het neoliberale bestuur, komt nauwelijks ter sprake. Eénmaal moeten de socialisten het ontgelden. Foucault vindt dat zij geen autonome bestuurskunst ontwikkeld hebben. Zij hebben zich globaal aangepast aan het neoliberale vertoog, enkel de kwalijke kanten van de harde competitie wat proberen te verzachten. In een interview verwoordt hij het nog scherper: ‘De wortel van het kwaad is niet, zoals u beweerde, dat de intellectuelen opgehouden hebben marxist te zijn, maar het feit dat u nagelaten hebt om tijdig samen met de intellectuelen het denkwerk te verrichten dat u bekwaam zou hebben gemaakt te regeren, dat wil zeggen anders te regeren dan met uw versleten leuzen en technieken die u van de anderen hebt overgenomen.’ (Dits et écrits, 4, p.677).

In de colleges van de latere jaren keer Foucault niet terug op het thema van het neoliberalisme. Hij bestudeert het thema van de ethiek als levensstijl. Hij gaat steeds meer focussen op de parrèsia, het vrij en vrank spreken van waarheid dat verbonden is met een levensstijl. Wellicht was dit het spoor waarbinnen hij het thema van ven verzet tegen het allerwegen oprukkende neoliberale bestuur wilde ontwikkelen?

Rob DEVOS (Leuven)

Recensie