De kern van waarheid in het rechts-radicalisme

Printvriendelijke versiePDF-versie
Anke Devyver

DE KERN VAN WAARHEID IN HET RECHTS-RADICALISME

Anke Devyver

Er is de afgelopen jaren al veel inkt gevloeid over de toenemende populariteit van rechtse en extreemrechtse bewegingen. Meer dan eens wordt opgemerkt dat de analyses die de Duitse filosoof Theodor W. Adorno van de rechtse bewegingen in de jaren ’30 en ’40 maakte, weinig van hun relevantie verloren lijken te hebben. Toch zou het voortvarend zijn om zijn analyses zomaar door te trekken naar vandaag. Amper enkele decennia later waarschuwt hij daar zelf al voor. In een recentelijk postuum uitgegeven lezing uit 1967, getiteld Aspecten van het nieuwe rechts-radicalisme, wikt Adorno zijn woorden: het gaat om een nieuw rechts-radicalisme. Rechts heeft zichzelf heruitgevonden.

Adorno wijst er onder meer terecht op dat nieuwe rechtse bewegingen niet louter bestaan uit oude, hardleerse lieden, maar ook jongeren weten te bekoren. Ze hebben bovendien hun organisatie, ideologie en propagandamethoden aangepast aan de samenleving van de jaren ’60. Hetzelfde geldt voor het nieuwrechts, (de Alt-right) waar we vandaag over spreken. De militaristische discipline heeft grotendeels plaatsgemaakt voor ogenschijnlijk beschaafd pseudo-intellectualisme in maatpak. Memes zijn de nieuwe pamfletten.

Wat opvalt is dat – enkele conjuncturele elementen buiten beschouwing gelaten – het hedendaagse nieuwrechts veel sterker lijkt op het rechts-radicalisme dat Adorno in 1967 beschrijft, dan op het fascisme van de jaren ’30 en ’40. Het is alsof Adorno de zaadjes al bemerkt van een beweging die dan nog in de kinderschoenen staat, maar een halve eeuw later politieke leiders zal leveren. Zo wijst hij erop dat het nieuwe rechts komaf heeft gemaakt met enig antidemocratisch karakter. In de plaats daarvan profileren ze zich als de ware democraten en doen ze hun tegenstanders af als ondemocratisch. Daarbovenop weten ze als geen ander hoe ze zich het imago moeten aanmeten van een groepering die veel steun geniet, en wiens ideeën breed gedragen zijn. Zo wordt dat beeld al snel werkelijkheid, zonder dat daar geweld of indoctrinatie aan te pas moet komen, legt Adorno uit. Terend op emoties maken ze een vijand van kritische journalisten en intellectuelen die daar de rede en de waarheid tegenover durven zetten.

Adorno haalt in zijn lezing een heleboel elementen aan die maar al te actueel in de oren klinken. Maar we moeten toegeven dat, hoe interessant ze ook zijn en hoe verassend goed ze ook de vinger op de wonde leggen, deze karakteristieken ons ondertussen welbekend zijn. De relevantie en vernieuwing van Adorno’s analyse zal niet liggen in de beschrijving ervan. Om de specifieke waarde van zijn lezing goed te vatten, moeten we er wat dieper in graven. Dan kunnen we een opvallende constatatie doen: er lijkt voor Adorno een significante kern van waarheid in het rechts-radicalisme te zitten. Voor een marxistische auteur is dat toch minstens opmerkelijk.

 

Rechts-radicalisme bestaat

Louter door te bestaan zegt het rechts-radicalisme al iets over onze maatschappelijke realiteit: we leven in een samenleving waarin radicaal rechtse bewegingen bestaan, ingang vinden, en zelfs enige populariteit genieten. Als waarheid is dat zo evident, dat het amper vermeldenswaardig lijkt. Voor Adorno is het echter cruciaal. Dat een sociaal fenomeen als rechts-radicalisme (opnieuw) de kop op steekt, betekent dat er ook sociale omstandigheden zijn die er de voedingsbodem voor vormen. Het is het allereerste dat Adorno in zijn lezing aanhaalt. Het fenomeen biedt ons dan ook de mogelijkheid de fundamenten van onze samenleving door een andere lens te bekijken.

Adorno verwijst in de eerste plaats naar het kapitalisme. Hij stelt dat de concentratietendens van het kapitaal ervoor zorgt dat mensen in een constante angst leven om wat ze vergaard hebben weer te verliezen. Rechts-radicalisme kan die angst gemakkelijk capteren en de oorzaak ervan toeschrijven aan een minder abstracte vijand, zoals een bevolkingsgroep naar keuze (de Joden, Moslims, of Walen). Ook vandaag houdt dit zeker nog steek: een steeds sneller veranderende economie eist een steeds flexibelere tewerkstelling. Werkloosheid vormt nog steeds een directe bedreiging voor velen. Daarbovenop is onze situatie er één van doorgedreven individualisme. Competitie is overal, alles wat ik in mijn leven onderneem schijnt af op mijn cv. De terminologie is hier niet onschuldig: het ‘ik’ is een onderneming. We zijn dus niet alleen angstig, we staan er ook nog eens alleen voor. Geen wonder dat mensen toevlucht zoeken in de stabiliteit en veiligheid van een zichzelf verheerlijkende groepsidentiteit die de oorzaak van hun malaise eenvoudigweg bij een andere groep legt.

                  Een tweede cruciale factor, die Adorno in zijn lezing over rechts-radicalisme niet expliciet behandelt, maar die wel van belang is voor het bredere plaatje, is de verlichting. De verlichting heeft ons in een paradoxale situatie gebracht. Aan de ene kant heeft ze de absolute fundamenten onder de samenleving weggeslagen: die is nu niet langer te begrijpen als verankerd in een betekenisgevende kosmologische orde of goddelijk plan. Aan de andere kant streeft haar rationele, wetenschappelijke methode naar universele stellingen die ons in staat stellen de natuur te manipuleren en beheersen. De moderne, verlichte mens wil haar object identificeren en vastpinnen in een ahistorische essentie, om er controle over te verwerven en zo voor zichzelf een houvast te vinden. Hoewel dit tot op zekere hoogte kan werken voor de natuur, komen we in een paradox terecht als we een dergelijke methode gaan gebruiken om de samenleving te begrijpen. De verlichting heeft namelijk net laten zien dat die samenleving zich ontwikkelt zonder ahistorisch onderliggend fundament of vooropgestelde betekenis of essentie.

Het vastpinnen van identiteiten of essenties als ‘het Vlaamse volk’, zoals radicaal-rechts tendeert te doen, ontkent het feit dat de samenleving constant in beweging is (wat duidelijk gemaakt wordt door de moeilijkheden die men vervolgens heeft om te specifiëren wie of wat dat Vlaamse volk precies inhoudt). Tegelijk ligt het helemaal in lijn met een streven naar het vatten van essenties, die als onbetwistbare kennis houvast bieden. Het verlichte denken heeft laten zien dat de samenleving een constante flux is, maar haar denkmethode maakt het ons haast onmogelijk om die te erkennen en ons er gepast tot te verhouden.

Ook Bas Heijne bemerkt dit fenomeen in zijn recente boek Mens/onmens. Hij noemt radicaal rechts nooit bij naam, maar heeft het over mensen die zich krampachtig vasthouden aan een bedenkelijke volksidentiteit omdat ze de constante verandering van de samenleving als een bedreiging ervaren. Een dergelijke groepsidentiteit wordt dan meteen ook op de ander geprojecteerd, zodat een vijandsbeeld snel geconstrueerd is.

Vandaag bevinden we ons in een crisis die deze ideeën lijkt te bevestigen. De coronapandemie laat ons geen andere keuze dan mee te stappen in een ontwikkeling van ongeziene maatschappelijke verandering. We kunnen niet kiezen om op een bepaald punt stil te blijven staan of iets vast te pinnen en moeten, voortgesleurd door voortschrijdend inzicht, wel mee met een stroom waarvan niemand het einde (of zelfs maar de volgende week) kan voorspellen. Radicaal rechts zien we vandaag sputteren: van stompzinnige ontkenning in Brazilië tot doorzichtige, geveinsde controle in de V.S. Ook in Vlaanderen kan extreemrechts geen substantieel verhaal meer brengen en valt het terug op verwarring zaaien en vitten op de regering.

Het is de combinatie van angst, individuele isolatie en het streven naar houvast in de vorm van vastgepinde essenties in een samenleving die dat niet meer toelaat, die volgens Adorno de ontwikkeling stimuleert van individuen die vatbaar zijn voor rechts-radicale ideologie. In zijn lezing verwijst hij meermaals naar een eerdere studie, waarin hij dit ‘autoritaire persoonlijkheidstype’ heeft bestudeerd, zonder er verder op in te gaan. Het is interessant toe te spitsen op één eigenschap daarvan, die vandaag steeds grotere proporties lijkt aan te nemen: narcisme. Narcisme wordt hier verstaan als het geloof dat jij, meer dan wie dan ook, de waarheid in pacht hebt, en de onmogelijkheid dat je overtuigingen ooit fout zouden zijn. Heijne vat dit zeer treffend. Hij beschrijft hoe de rede vandaag niet langer – zoals Hume beweert – vertrekt vanuit een impuls van het gevoel, om vervolgens haar eigen conclusies te trekken en het gevoel eventueel bij te sturen.  In de plaats daarvan, zo stelt hij, heeft de rede vandaag louter de functie het gevoel te bevestigen, legitimeren, en verheffen. Je voelt, dus je bent altijd juist.

Het is evident hoe dit de deur openzet voor – onder andere – rechts-radicale bewegingen. Welk verhaal precies wordt opgehangen is onbelangrijk, zolang het individu zich maar bevestigd weet in haar gevoel en de boodschap licht verteerbaar is. Of de boodschap ook waar is, is van ondergeschikt belang. De rede dient immers het gevoel, niet omgekeerd. Het verklaart waarom radicaal rechts aanhangers heeft die immuun lijken voor de waarheid. Feiten worden alleen geloofd wanneer die bevestigen wat men toch al aanvoelde. Wanneer ze dat gevoel tegenspreken, kunnen ze gewoonweg niet kloppen. Heijne verbindt dit met het fenomeen van fake news, waarvan hij terecht stelt dat het niet als doel heeft de ‘echte’ feiten te vervangen door ‘alternatieve feiten’, maar de opschorting van de waarheid als dusdanig, om zo meer ruimte te maken voor de narcistische bevestiging van emoties in de vorm van ‘zie je wel’ en ‘ik wist het al lang’. Ook het feit dat een significant deel van ons sociaal leven zich vandaag online afspeelt, versterkt deze tendens. Als vanzelf komen we in echokamers vol gelijkgezinden terecht, die ons grote gelijk wederom bevestigen.

Hier is ook een interessant verschil met het fascisme van de jaren ’30 en ’40 op te merken, wat benadrukt dat we de vergelijking niet zomaar kunnen maken. Toen werd wel nog de ene waarheid in de plaats van de andere gesteld, een nieuwe waarheid die gerealiseerd moest worden door middel van geweld, terreur, en indoctrinatie. Nu de vervanging van waarheid plaats heeft gemaakt voor de opschorting ervan, is dit niet meer nodig. Er zijn nu gewoonweg ‘twee Amerika’s’ in één enkele realiteit in de V.S. Om het met een sprookje te stellen: de narcistische stiefmoeder zou vandaag geen moordpoging op Sneeuwwitje meer ondernemen. Ze zou eerder haar magische spiegel van fake news beschuldigen, uit het raam van het paleis gooien, en vervangen door een die haar de geruststellende leugen vertelt die ze wil horen.

     Adorno stelt dat rechts-radicalisme volgt uit de samenleving, er een product van is. De kern van waarheid zit erin dat radicaal rechtse bewegingen geen aberraties zijn van een algemene tendens van maatschappelijke vooruitgang, maar dat vooruitgangsidee net onderuithalen. En daar lijkt iets in te zitten. Voor Adorno is een dergelijke waarheid over de samenleving echter nooit absoluut. Zijn analyses hebben niet als doel om zomaar kennis over de samenleving te poneren, maar om die samenleving te evalueren. Het bestaan van rechts-radicalisme is voor hem een reden om aan te sporen tot maatschappelijke verandering, wat verderop duidelijk zal worden.

 

Democratie

De tweede kern van waarheid in het rechts-radicalisme zit hem in zijn aanklacht tegen de democratie. Adorno wijst terecht op het feit dat radicaal rechtse bewegingen vandaag niet meer antidemocratisch zijn, maar zich net voordoen als de enige ‘echte democraten’ die de ‘stem van het volk’ vertegenwoordigen. Zij menen mensen de vrijheid terug te geven om weer te kunnen kiezen in welke samenleving ze willen leven, wat de zogenaamde ‘systeempartijen’ niet toelaten.

     Ook aan de linkerzijde is een dergelijke kritiek te horen. Politiek filosofe Chantal Mouffe stelt bijvoorbeeld dat de hedendaagse liberale democratie gekenmerkt wordt door een ‘consensus in het midden’, waarbij de verschillende partijen alleen variaties op hetzelfde thema presenteren. Wat zij ‘populisme’ noemt, gaat daartegen in en trekt het democratische debat weer open. Ze argumenteert dat dit de democratie ten goede komt, maar dat die taak niet mag overgelaten worden aan rechtspopulisme. Er is daarom ook op de linkerflank een populistische beweging nodig.

     Ook Adorno lijkt deze kritiek tot op zekere hoogte te onderschrijven wanneer hij stelt dat rechts-radicale bewegingen de “littekens” zijn van een “democratie die zich tot op heden ook nergens echt helemaal heeft geconcretiseerd, maar formeel is gebleven” en “nog niet volledig beantwoordt aan haar eigen begrip.” (15-16) Dat laatste betekent dat, ondanks een democratisch systeem dat ons (formeel) in staat stelt zelf vorm te geven aan de samenleving, we hier niet echt de mogelijkheid toe hebben.

Adorno’s analyse gaat echter verder dan een kritiek op een ‘consensus in het midden’. Hij zou namelijk nooit stellen dat rechts-radicale bewegingen ook maar in het minste democratisch zijn of de democratie ten goede komen. Ze vervallen in exact hetzelfde probleem als de hedendaagse democratie. Die ‘formeel gebleven’ democratie pint namelijk een kader vast waarbinnen de samenleving kan worden vormgegeven (kapitalisme volgens Adorno, multiculturalisme volgens radicaal rechts). Radicaal rechts zal enkel trachten een ander kader vast te pinnen (dat van een homogeen volk dat poogt haar culturele waarden in marmer te beitelen). Voor Adorno draait het er echter net om dat een ware democratie individuen toelaat in de constante flux te stappen die de samenleving is en die daar vorm te geven, zonder op welke manier dan ook te vervallen in vaste identiteiten (zoals een volk). Een ‘geconcretiseerde’ democratie heeft kritische, reflexieve burgers nodig die losstaan van enig kader dat hun politieke vrijheden kanaliseert. Pas dan zijn mensen volgens Adorno in staat waarlijk zelf hun samenleving vorm te geven.

Voor Adorno treedt bij rechtsradicalisme daarom “de waarheid in dienst van de onwaarheid.” (32) Een juiste aanklacht op de beperkingen van de hedendaagse democratie wordt finaal ingezet in een project dat die problemen alleen maar verderzet, zoniet verergert. Vanuit Adorno kunnen we ons daarenboven de volgende vraag stellen: is het niet zo dat de democratie van ons vraagt om als kritische burgers vorm te geven aan een samenleving die ons onvoldoende toelaat zo’n subject te zijn?

Aan het einde van zijn lezing roept Adorno zelf op tot een dergelijke kritische burgerzin, en het loont zijn eigen woorden er hier even bij te nemen. Anticiperend op de vraag hoe hij de toekomst van het rechts-radicalisme inschat, antwoordt hij:

 

Ik beschouw dat als een verkeerde vraag, want zij is veel te contemplatief. In die manier van denken, die zulke zaken van meet af aan beschouwt als natuurrampen waarover men voorspellingen doet als over wervelwinden of meteorologische rampen, schuilt al een vorm van berusting waardoor men zichzelf als politiek subject eigenlijk uitschakelt, een houding waarin men de werkelijkheid alleen nog vanuit het standpunt van de toeschouwer benadert. Hoe deze dingen verdergaan, en de verantwoordelijkheid voor hoe ze verdergaan, dat is in laatste instantie aan ons. (44)

 

In zijn ijzersterke slotwoorden komt alles samen. Adorno geeft duidelijk aan dat de methode waarmee we de natuur begrijpen, hier niet op haar plaats is. Maatschappelijke fenomenen laten zich niet voorspellen. Daarbovenop staat zo’n benadering haaks op kritische, democratische burgerzin (‘politieke subjectiviteit’) door te berusten in het bestaan van ondemocratische bewegingen in plaats van er de verantwoordelijkheid voor op te nemen. Adorno legt een gigantische verantwoordelijkheid bij het individu, maar koppelt daar ook een heel hoopvolle boodschap aan. Die verantwoordelijkheid houdt namelijk alleen steek als de samenleving radicaal veranderbaar is. De verlichting heeft ons inderdaad geleerd dat die samenleving geen absoluut fundament heeft. Een maatschappijanalyse mag daarom niet stoppen bij het verworven inzicht, maar moet ook evalueren en eventueel oproepen tot politieke verantwoordelijkheid. Want de maatschappij is fundamenteel politiek, en elk individu geeft haar mee vorm.

Neutraliteit is hier dus onmogelijk. De ‘contemplatieve blik’ kiest voor de status quo door het heden tot iets absoluuts te verheffen. Adorno geeft ons een hoopvoller beeld, een deur naar verantwoordelijk utopisme. Met de verpletterende verantwoordelijkheid die we allemaal dragen voor de sociale voedingsbodem van fenomenen als het rechts-radicalisme, komt namelijk de boodschap dat dingen niet altijd zo hoeven te zijn.

Artikel