In het spoor van de intellectueel. Badious onverzettelijkheid: een militantisme van de illegaliteit.

Printvriendelijke versiePDF-versie
Jan-Jasper Persijn

De tijd van de intellectueel

Zoals de boksmatch tussen schrijver Yves Petry en journalist Joël de Ceulaer in De Morgen een aantal maanden geleden nog scherp stelde, is de rol van de publieke intellectueel enigszins betwistbaar. Petry hield een pleidooi voor een publiek debat dat niet enkel steunt op een cultuur van experten, maar meer inclusief is voor schrijvers, theatermakers, beeldend kunstenaars, filosofen, psychoanalytici et cetera. Denkers dus, in de ruimste betekenis van het woord. Geen uitvoerende cijferaars die waarheden vastzetten in statistieken, geen ideologische wetenschapsreductionisten, geen blinde dataproducenten, geen angstige dogmatici van het object. Ontzag voor de wetenschap, maar met een open blikveld, een besef van haar grenzen, een respect voor haar marges. De intellectuele ruimte ligt in die zin voorbij het leven zoals het voor ons uit loopt, de grijze logica’s en gladde systemen die het draaiende houden. Klassiek is het voor alles een plaats van afstand, van digestie: een juist geplaatst stilzwijgen, een afwachten, eerst de analyse, dan de kritische slag. Daar spreken de cijfers pas mee wanneer ze ook iets betekenen, iets van richting aangeven.

Dat die ‘trage’ intellectuele ruimte vandaag door het snelheidscredo van nieuwe technologieën en media onder druk staat, lijdt niet de minste twijfel. In het reguliere mediacircuit is de perverse keuze die tussen het haastig meehollen van de twitterintellectueel of onvermijdelijk te laat komen op de afspraak, zijn stem kwijt te raken daarom. Verlies is er langs beide kanten. Die structurele versnelling doet verlangen naar een tijd dat die intellectuele ruimte nog te omvatten was, dat de stem van de intellectueel een vanzelfsprekende autoriteit was, een stem immers die iets verbeeldt van een verwarrend heden. Een afstandelijke blik die iets van de puinhoop structureert, haar grenzen afloopt, haar mechaniek begrijpt. Een figuur van verzet tegen de ruziestokers van de waan van de dag, priester en orakel van het seculiere leven. Een tegen-denken. Op het gevaar af een nostalgisch artefact te creëren, een poging.

Wat kenmerkt deze figuur dat een publiek er zijn vertrouwen en hoop in investeert? Wat verwacht het publiek van zijn intellectuelen? Zonder mij over inhoudelijke zaken uit te spreken, beperk ik mij hier tot een enkel formeel criterium dat onmiskenbaar is voor zijn statuut: een doorgedreven consequentie tussen een intellectueel werk en een persoonlijk leven, tussen een publieke stem en een verwachting zich hier naar te gedragen. Hoewel deze idee evident mag lijken, is dit allesbehalve het geval. Het betekent immers voor alles een investeren van de eigen subjectiviteit in het werk dat men verzet, het discours dat men voert, de ideeën die men verkondigt. Zich in elke situatie te gedragen naar het script dat men een ander voorschrijft, ook de eigen verantwoordelijkheid niet te ontlopen daarom. Wie zijn eigen leven er in alle eerlijkheid op nagaat, weet alvast dat die consistentie eerder opdracht dan evidentie is. Al te vaak blijkt achter het discursieve masker van zij die zich als intellectuelen in de markt zetten in die zin dan ook weinig overeen te stemmen. Het is in dat geval voor alles een pose van het ego, het dient een carrière of een ambitie, verraadt een ongenoegen, een onbegrip, een angst die men op een ander legt om deze niet op zichzelf te moeten betrekken. In alle gevallen echter getuigt een discours dat niet voldoende doorleefd is van een structurele impotentie.

In dit stuk zal ik onderzoeken in hoever de figuur van Alain Badiou in dit opzicht een voorbeeld stelt. Nu de man dit jaar op zijn tachtigste verjaardag en na een intellectuele staat van dienst van meer dan vijftig jaar een punt zet achter zijn publieke leven, lijkt de tijd voor die balans dan ook juist te zitten. Binnen het opzet van dit stuk zal ik dit doen langsheen het formele criterium van consequentie tussen zijn werk en zijn leven. Dat betekent evenwel niet dat er daarnaast geen andere criteria zijn of dat er op Badiou inhoudelijk verder niets aan te merken valt.

 

De barricaden: grens van een wereld

Frankrijk heeft een grote traditie van (linkse) intellectuelen die centraal staan in het publieke debat. In de twintigste eeuw kan hun legitimiteit en functie als publiek geweten voor een groot stuk teruggeschreven worden op een verzetsrol tijdens WO II en hun protest tegen de koloniale oorlog in Algerije. Die intellectuele ruimte houdt zich zo per definitie op aan de andere kant van het geïnstalleerde weten, de gevestigde orde, de macht. Het gewicht van deze intellectuelen op het revolutionaire klimaat van de jaren 1960 is dan ook cruciaal. Ook Badiou, leerling van Sartre, Althusser, Lacan en product van de beroemde Parijse École Normale Supérieure, staat stevig verankerd in die traditie. Enerzijds installeerde deze intellectuele cultuur zich aan de grote universiteiten, anderzijds richtte ze de blik onvermijdelijk naar buiten. De veronderstelling was daarbij dat deze instellingen voor alles politieke plaatsen waren. Toch toont deze cultuur zich allesbehalve vrij van contradictie: tegelijk elitair en revolutionair, geënt op een rotsvast geloof in vorming als emancipatie, in theorie als politieke praktijk, in de intellectueel als leider van de proletarische omwenteling.

Bovendien gaat Badiou hierin verder dan de meeste van zijn generatiegenoten. Begin jaren 1970, als de erfenis van mei ‘68 ter discussie op tafel ligt, sticht hij zijn eigen maoïstische organisatie l’Union des communistes de France marxistes-léninistes (UCF-ML). Die beweging moet gekaderd worden in een periode van ‘Frans maoïsme’, die weinig meer symboliseerde dan de hoop op een vernieuwende communistische impuls na het debacle van het Sovjetstalinisme. Badiou staat daarin niet alleen: de intellectuele tegenruimte was in deze jaren nagenoeg volledig maoïstisch. Ook de culturele eisen van mei ‘68 knopen in die zin aan bij Mao’s Culturele Revolutie twee jaar eerder. Badiou combineert in de jaren 1970-80 een concreet militantisme (het organiseren van straatprotest, het uitgeven van pamfletten, de zogenaamde ‘onderzoekingen’ in fabrieken) met een meer theoretische uitdieping in zijn lessen aan de universiteit van Vincennes (vandaag Paris-VIII) die na 1968 was opgericht. Hij schrijft in die tijd ook toneelstukken, romans en essays die in het verlengde liggen van dit activisme. Men zou in die zin Badious gehele vroege werk (tot en met Théorie du sujet in 1982) kunnen herleiden tot deze politieke voorwaarde. Via de figuur van het militantisme investeert hij zo letterlijk zijn eigen subjectiviteit in het discours dat hij voert. De intellectueel en de militant zijn er consequent een.

Toch verschilt hij van vele generatiegenoten in de hardnekkigheid waarmee hij ook vandaag nog vasthoudt aan deze militante attitude. De meeste van zijn revolutionaire kameraden keerden zich al snel af van de radicale idealen van hun jeugd en sloten zich aan bij gematigdere bewegingen die niet langer een gewelddadige systemische reset voorstonden. Het revolutionaire teveel van mei ‘68 werd zo politiek gerecupereerd, zij die deze uitbarsting afgedwongen hadden in de regel op universiteiten en in parlementen geïnstalleerd. Culturele vraagstukken en de bevrijding van identiteiten (hoofdzakelijk feministen en homoseksuelen) drongen zich naar het voorplan. Zo komt het dat velen van de grote revolutionairen van weleer de wijze, grijze gevestigde stemmen van vandaag zijn geworden. Zij die nog slechts meewarig glimlachen als ze op hun ‘jeugdzonden’ gewezen worden, die in het licht van de geschiedenis een uiteindelijke interpretatie kregen: hun idealisme, hun ‘naïviteit’. Eens geïnstalleerd aan de kant van de macht, zo leren zij, primeert het comfort van de positie en stelt de subjectieve vraag zich minder insisterend. Al staat het iedereen vrij doorheen de jaren zijn overtuigingen bij te stellen, is het voor een publiek dat iemand jarenlang voor zijn eigen geweten houdt, enigszins verwarrend wanneer deze ineens meedraait met de wind van de tijd.

Badious werk heeft doorheen de jaren echter weinig aan radicaliteit ingeboet. Zo hernemen zijn analyses van actuele gebeurtenissen nog steeds dezelfde vernietigende tirade tegen een almachtige kapitalistische logica. Zo staat hij er nog steeds achter dat het breken van die logica nooit zal verlopen langs de weg van de legaliteit of de geïnstalleerde politiek, maar structureel aan de kant moet staan van de gewelddadige omwenteling. Elke poging op verandering die niet radicaal genoeg gedacht wordt, zal in die redenering uiteindelijk langs de kant van de macht gerecupereerd worden. Die observatie toont zich ook vandaag nog even adequaat. Toch heeft het Badiou binnen het hedendaagse politieke spectrum het statuut van ‘radicaal’ opgeleverd. Vorig jaar nog noemde een Libération-journalist hem in die zin nog een ‘maoïstisch fossiel’. Dat verwijt zegt het eigenlijk allemaal: een fossiel is een spoor dat hardnekkig de tijd heeft weerstaan terwijl de omgeving (van overtuiging) veranderd is. Positief geformuleerd betekent dit evenzeer dat Badiou van een consequentie getuigt die niet vanzelfsprekend is voor een tachtig jaar lang leven. Badiou beantwoordt in dat opzicht aan de verwachting van de blijvend geëngageerde, onverzettelijke denker waar een publiek zijn geweten aan uitbesteedt.

Tegelijk is die hardnekkigheid een zwakke plek. De evidente bezwaren hebben dan ook niet op zich laten wachten. Zo is het bekend dat de ontdekking van de tol die Mao voor zijn omwenteling heeft betaald de Europese maoïsten heeft doen duizelen. De eerste tegenvraag die zich bij Badious tegenstanders dan ook stelt, is of gelijk welke intellectuele onverzettelijkheid die prijs waard kan zijn. Er moet in die zin gediscussieerd worden over wat de provocatie van zijn maoïsme vandaag nog betekent. Badiou zelf laat in ieder geval geen kans onbenut om hiertoe in het verweer te gaan. Hij wijst er steeds opnieuw op dat hij er niet zozeer op uit is Mao’s historische voorbeeld te imiteren, zoals zijn opponenten hem graag in de mond leggen, maar een oorspronkelijk maoïstische denklijn in het huidige klimaat van impasse opnieuw op te nemen. Zijn maoïsme, dat men met enige argumenten zelfs kan lezen in de formalisering die aan zijn denken ten grondslag ligt, is dan ook eerder een ‘structureel’ of filosofisch maoïsme (in contrast met het ‘historisch’ maoïsme). Ondanks de onvermijdelijke scherpe kanten en weerhaken van zijn radicaliteit blijven zijn analyses daarom ook vandaag, bijna vijftig jaar na mei ’68, even relevant als noodzakelijk.

 

Theoretische ondergrond: het evenement

Maar deze investering van de eigen subjectiviteit heeft ook een theoretische grond. Het is namelijk niet toevallig dat Badious filosofie de figuur van het subject recupereert in een tijdperk dat het in academische middens heeft afgedaan. Het structuralistische paradigma van Badious ‘vormende’ jaren 1960 zet zich af tegen het ‘bewuste’ subject als grondende figuur van de fenomenologie. Voor Althusser, een van Badious vroege meesterfiguren, is dit punt cruciaal: het subject wordt weggezet als louter ideologische functie. Desondanks zal Badiou van het subject de centrale categorie van zijn systeem maken. Voor die contraire recuperatie moet Badiou evenwel een disciplinaire omweg maken langs de (lacaniaanse) psychoanalyse. In tegenstelling tot het subject in de bewustzijnsfilosofie betekent het lacaniaanse ‘subject van het onbewuste’ voor alles een formeel probleem. Het subject wordt er namelijk begrepen als wat zich ‘laat spreken’ door een symbolisch tekensysteem.

Lacan maakt daarmee van de ‘subjectieve implicatie’ een cruciaal punt: alleen de betekenaar representeert een subject (voor een andere betekenaar). In die zin wijst een spreken altijd naar een subjectieve positionering. Dat mag niet verwonderen aangezien de psychoanalyse voor alles een klinische praktijk is: in de analytische kuur komt het er voor de patiënt uiteindelijk op aan verantwoordelijkheid te nemen voor het spreken dat hij produceert. Ook wanneer deze vraag – wat zegt het over mij dat ik dit idee voorsta, dit punt verdedig, dit discours voer? – ver weg wordt geduwd, is deze allesbehalve verdwenen. Het wegkijken van het subject, van de effecten en symptomen die het produceert, is zo een weigering te erkennen dat het in de eerste plaats altijd zelf in de plooien van zijn acties ligt. Het is een ontlopen van verantwoordelijkheid voor de eigen geschiedenis en de manier waarop deze gestructureerd is geraakt. Lacan spreekt in dat opzicht vanuit de observaties van de psychoanalyse over een ‘passie voor onwetendheid’ aan de kant van het subject. In het verhaal van de intellectueel betekent dat het structureel uiteenwijken van een publiek verkondigd gedachtegoed en een leven dat hier niet naar handelt, de ongerijmdheid tussen het (zelf)bedrog van het ego en de waarheid van het subject.

In contrast hiermee staat dan het radicale assumeren van de eigen subjectiviteit. In Badious eigen theoretisering krijgt deze doctrine, die de lacaniaanse idee van een ‘subjectieve implicatie’ interpreteert, vorm in de idee van het ‘evenement’. In de meest algemene zin tracht dit evenement de mogelijkheid te denken dat ‘iets’ nieuws zich kan aandienen in het structurele vacuüm dat elk geïnstalleerd weten, elke situatie ‘zoals deze is’, onderligt en in stand houdt.

Badiou zelf duidt deze idee steevast met een politiek voorbeeld: (zijn interpretatie van) mei ’68. Daar legden aanhoudende straatprotesten en stakingen van studenten en arbeiders iets van het grondeloze draaien van de Franse samenleving bloot. Daarbij werd bovendien de boutade dat ‘de kapitalist voor jobs zorgt’ binnenstebuiten gekeerd: het kapitalisme toonde zich uiteindelijk niet meer dan een systeem dat structureel een aantal functies en plaatsen in een wederzijdse afhankelijkheid uitbesteedt. Het overschrijft een lege plek met een betekenisloze, arbitraire logica. Vanuit die analyse komt (voor Badiou) tegelijk de structuur op een kier te staan, de mogelijkheid dat het systeem verdwijnt in het tekort dat bloot komt te liggen. Het is precies in dat revolutionaire moment dat de mogelijkheid van een evenement zich aandient. Voor Badiou staat mei ’68 precies voor die idee: het openscheuren van een geslagen barst die aan de hand van een aantal communistische premissen een nieuwe structurering organiseert. Aangezien Badiou beseft dat die organisatie een werk van lange adem betekent, voegt hij aan dit concept van het evenement een subjectief complement toe: de ‘trouw’ aan een evenement. Pas in en door de consequente trouw aan de belofte van het evenement kan iets van deze nieuwe structurering zich realiseren. De revolutionaire uitbarsting en de volgehouden trouw zijn zo de twee kanten van de evenementiële munt. Dat is overigens ook wat in zijn interpretatie uiteindelijk is misgelopen in de nasleep van mei ’68: door een gebrek aan trouw (politieke recuperatie, defaitisme, de machtsgreep van een gematigdere cultuur- en identiteitspolitiek etc.) is de toegebrachte wonde opnieuw dichtgegroeid.

Met zijn concept van ‘trouw aan het evenement’ heeft Badiou zo de lacaniaanse doctrine van de subjectieve implicatie geïnterpreteerd voor een expliciet filosofische context. Badious trouw aan het evenement van mei ’68 is in die zin een letterlijke investering van zijn eigen subjectiviteit. Zowel via een militant engagement als de theoretische articulatie van een subjectieve theorie van het evenement (in zijn boek L’être et l’événement uit 1988), heeft hij zichzelf zo ‘in’ zijn werk geschreven.

 

Een ethiek van het tegendenken

Toch beschouwt Badiou het project van mei ’68 niet als afgerond. Ondanks het falen van het historisch communisme wijst het huidige crisisklimaat van het kapitalisme voor Badiou opnieuw in deze richting. Het komt er dan op aan dit spoor opnieuw op te nemen waar het jaren geleden voor dood is achtergelaten. Badiou spreekt in dat opzicht over ‘de communistische hypothese’ als een ‘open taak’. Dat betekent dat hij altijd, tegen de dominante, kapitalistisch tijdsgeest, trouw is gebleven aan de erfenis van mei ’68. In die redenering is het wachten op een nieuwe barst die de potentiële ruimte voor een evenement aankondigt. In de voorbije jaren zijn in die zin al een aantal momenten gepasseerd die iets van die belofte in zich droegen: de Occupy-protesten (voor deze de weg van de legaliteit kozen) of de Griekse nee-stem in het referendum voor een vervolg aan de Europese austerity-politiek (voor de capitulatie van Tsipras).

Maar de theorie van het evenement gaat ook verder dan de politieke voorwaarde alleen. Zo kan voor Badiou ook een liefdesontmoeting eenzelfde potentieel hebben een heel leven te herdenken. Zo ook is het resultaat van een ontmoeting verre van noodzakelijk, zo ook loert hier steeds om de hoek het gevaar op een terugval die de reorganisatie in haar geheel elimineert. Maar ook het concept van ‘trouw’ lijkt eerder uit een amoureuze context geplukt dan uit een politieke. Hetzelfde geldt de artistieke revolutie of de wetenschappelijke ontdekking die het volledige veld herdefiniëren zodanig dat een terugkeer naar een eerder paradigma onmogelijk wordt. In alle gevallen (het politieke, het amoureuze, het artistieke, het wetenschappelijke) draagt het evenement een emancipatorische vraag in zich die een subjectieve tussenkomst vereist.

Bovendien gaat het er in conceptuele zin om de discontinuïteit te denken, iets van subversiviteit, van het revolutionaire daarom. Het is een poging tot een denken dat principieel tegenduwt, tegen het dominante discours van een tijd in. Een denkoefening die onvermijdelijk de subjectiviteit mobiliseert, tegen de almacht van een geïnstalleerde objectiviteit. Een denken dat de marge volgt, het symptomatische buiten, zich identificeert met wat noodgedwongen onder de radar leeft. Een militantisme van de illegaliteit daarom, dat de uitzondering aan de regel opdringt en interpreteert als symptoom, niet als te verwaarlozen restproduct. Een ‘onmogelijk’ object te viseren, ‘voor waar’ te nemen, er zelf voor in te staan, dat is de uitdaging van de intellectueel, de plaats waarnaar hij zijn blik en aandacht moet richten, zijn ethiek.

Dat is waar Badiou met zijn leven en werk van getuigt: beide sporen zijn elkaars voorwaarde. De theoretisering draagt zijn militantisme en dit activisme installeert zijn subjectiviteit in het discours dat hij voert. Met enige argumenten zou men in die zin zelfs kunnen beweren dat dit militantisme zelfs in zijn meest formele of mathematische teksten doorschemert.

 

De ‘open taak’ van de subjectieve implicatie

Maar deze ethiek spreekt ook verder door. Zo heb ook ik, als schrijver van dit stuk, als onderzoeker naar Badious filosofie, mijn strijd gevoerd met deze vraag. Kan ik mijzelf toelaten Badious denken te assumeren zonder mij tegelijk zelf militant te engageren? Het ontwijken van die vraag doet immers alsof de mobilisatie van een weten vrijblijvend zou kunnen zijn. De typisch academische attitude louter mechanisch kennis te genereren, wil echter niets weten van de subjectieve implicatie. De eis van ‘objectiviteit’, die komt aangewaaid vanuit de harde wetenschappen, verdringt de vraag naar verantwoording en verantwoordelijkheid van de onderzoeker. Meer dan eens staat tegenover die blinde productie van data een wens van het ego: hogerop te raken, carrière te maken, ‘iemand’ (‘expert’?) te zijn.

Maar ook buiten het academische bedrijf wordt deze vraag nauwelijks gesteld. Wat bijvoorbeeld met de doorsnee advocaat die alleen verdedigt wie hem kan betalen? Die zich verschuilt achter een titel, een statuut, een systeem, de ethische vraag uitbesteedt en overlaat aan de logica van het geld. Als heeft hij er helemaal niets mee te maken. In die zin is de uitzonderingspositie van het kunstenveld opvallend. Zo is de keuze voor het artistieke veld er een met consequenties: weinig beloftes, weinig zekerheid, weinig verloning. Zoals recent onderzoek van Kunstenpunt nog aantoonde, staat hier evenwel iets van een andere orde tegenover: een ver bovengemiddelde voldoening.1  Het maken van de subjectieve oefening is voor het kunstenveld dan ook een evidentie. Niet alleen vraagt de subsidiecultuur om constante zelfbevraging en terugkoppeling, om ‘maatschappelijke relevantie’, om engagement. Ook voor zij die buiten het subsidieveld vallen, geldt: in de kunsten is het per definitie de subjectiviteit zelf die insisteert. Omdat de kunsten zich zo (in principe, met hun uitzonderingen) buiten het dominante circuit bevinden, kunnen zij de ‘objectieve’ condities van hun tijd onder spanning zetten. In die zin is het kunstenveld een evidente ruimte van het tegendenken.

De intellectueel kan in die zin een voorbeeld nemen aan de manier waarop de kunsten iets van de subjectiviteit op zich nemen, doorleven, communiceren. Zo zal hij vermijden dat deze geprivatiseerd wordt of gerecupereerd aan de kant van de macht of het geld, hij zal gedwongen worden te staan voor wat zijn ego publiekelijk verkondigt. Bovendien gaat die eis van integriteit allen aan. Dat betekent natuurlijk niet dat iedereen militant of kunstenaar moeten worden. Wel gaat het erom na te denken op welke manier we zelf tussen de plooien van onze overtuigingen liggen, onze verlangens, onze vooroordelen. Een stem te vinden die geen moeder of vader ons kan geven, iets van ‘eigen’ marge te installeren. Het is een vraag die altijd open staat om op te nemen. Met Badiou: de ‘open taak’ van het subject, trouw te zijn aan de evenementen die ons markeren. Alleen dan mogen we hetzelfde verwachten van onze intellectuelen.

 

Noten:

1 Voor dit onderzoek zie: ‘Loont passie? Een onderzoek naar de sociaaleconomische positie van professionele kunstenaars in Vlaanderen’, zie: http://kunstenpunt.f.mrhenry.be.s3.amazonaws.com/2016/11/rapport-kunstenaars-FINAAL.pdf

Artikel