Religie na de dood van god

Printvriendelijke versiePDF-versie
Marc Van den Bossche
Erik Meganck

Marc Van den Bossche, Religie na de dood van god. Een conversatie, Brussel, VUBPress, 2013, 149 p., € 19,95 ISBN 978 90 5718 328 7

Gianni Vattimo, intussen 77, en Richard Rorty, intussen overleden, vonden elkaar aan het begin van dit millennium.  Blijkbaar vertoonden het zwakke denken, de secularisatie en de caritas bij de eerste en de ironie, de redescriptie en de solidariteit bij de laatste verregaande parallellen. Die nemen beide denkers samen door in De toekomst van de religie (Klement, Kampen, 2006 – zie De Uil van Minerva 21, 2006, 2-3, p. 140). Het gesprek tekent beiden: een sympathiek en lichtvoetig nihilisme, gelardeerd met goede bedoelingen. Immers, de rol van de zware, ernstige, strenge metafysica is uitgespeeld. We kunnen gewoon lief zijn tegen elkaar en daarin dient het denken ons voor te gaan.

Niet dat Vattimo en Rorty elkaar op alle punten gelijk geven. Zo stuurt Vattimo zijn Amerikaanse collega het zachte verwijt dat het loslaten van de traditie, van dus de ontologie en het christendom, het denken overlevert aan arbitrariteit. Waarop Rorty laat weten dat hem dat koud laat. Als pragmatist ziet hij niet in waarom hij zijn denken moet ‘legitimeren’ zoals Vattimo dat op zwakke wijze doet, als ze toch beiden tot min of meer dezelfde conclusies komen. 

Bij Vattimo en Rorty komen toch twee totaal andere tradities samen. Enerzijds is er de Italiaanse hermeneut, gepokt en gemazeld in 2000 jaar Rooms katholicisme, leerling van Nietzsche en Heidegger; anderzijds is er de Amerikaanse neo-pragmatist, erfgenaam van een recente religieuze rebellie, leerling van Dewey en James.  Allebei belijden ze in de laat-moderniteit hetzelfde credo: er bestaat geen objectieve werkelijkheid, er bestaan geen buitenwereldse normen en principes, het denken sluit terug aan bij zijn oorspronkelijke motief van het goede leven in plaats van de correcte methode.

Van den Bossche, filosoof aan de Vrije Universiteit Brussel, publiceerde reeds eerder over Rorty en Vattimo. Hij is de auteur van onder meer Ironie en solidariteit. Een kennismaking met het werk van Richard Rorty (Lemniscaat, Rotterdam, 2001). In dit boek plaatst hij op uiterst heldere en leesbare wijze beide denkers naast, niet tegenover, elkaar. Hij ontleent zijn uitgangspunt aan hun werk zelf. Vattimo noemt het eindeloze interpretatie, Rorty eindeloze conversatie. ‘Eindeloos’ heeft hier niets privatiefs, maar beduidt op het bevrijdende van een denken dat niet per se wil uitlopen op de Ene Waarheid – wat Heidegger destijds thematiseerde als de ‘stap terug’. Anders dan in de vigerende vakliteratuur wil de auteur afzien van de mogelijkheid van een opkomen voor het eigen groot gelijk. Hij wil beide denkers dan ook niet confronteren, maar verbinden. Meer nog, filosofie zou zich vanaf nu hierop moeten toeleggen.

Belangrijk in deze studie, naast het ‘conversationele’ opzet en de didactische sterkte, is de constatering van een mildere houding van Rorty jegens religie in het algemeen. Voor de duidelijkheid: beiden blijven stevige antiklerikalen. Die mildering biedt weliswaar de conversatie tussen Vattimo en Rorty een breder draagvlak dan het – eigenlijk louter formele – nihilisme, maar maakt van hen nog geen devote gelovigen. Rorty geeft gewoon Vattimo gelijk waar die stelt dat elke harde positie, zij het als atheïst of als theïst, zich schatplichtig verklaart aan een traditie waarvan beiden net betogen dat ze is uitgewerkt. Santiago Zabala, leerling van Vattimo, omschrijft dit (De toekomst van de religie, p. 10, geciteerd in Religie na de dood van God, p. 117) als de overgang van het Tijdperk van het Geloof via het Tijdperk van de Rede naar het Tijdperk van de Interpretatie. Van den Bossche werkt dit, terecht, uit in socio-politieke zin. Want inderdaad, wanneer alle buitenwereldse fundamenten van een onomstotelijke epistemologische, morele en religieuze waarheid wegvallen, dan wordt waarheid een kwestie van een intersubjectieve uitwisseling van interpretaties, een hermeneutisch veld dat nergens aan de ‘mensenwereld’ ontkomt. In dit veld zijn respect en solidariteit belangrijker dan een transcendent verankerde overeenkomt tussen uitspraken en de wereld-zoals-die-is. Dergelijk veld kan dan alleen politiek worden vertaald naar wat de auteur noemt een “democratie van de liefde” (118), een eindeloze dialoog zonder metafysische kapstokken, die trouwens door beide denkers worden ontmaskerd als gewelddadige invoegingen in het denken. Geloven wordt dan, zoals Van den Bossche in het laatste deel ontwikkelt, een functionele privé-affaire dat zich dient in te schrijven in het democratische spel van de samenleving. Elke fundamentalistische verharding van het geloof in die Ene Waarheid is een nefast 19de-eeuws anachronisme.

Dit is geen kritische studie. Van den Bossche gaat niet op zoek naar het problematische in het denken van Rorty of Vattimo. Hij presenteert, zoals gezegd, beiden als in conversatie. Samen met de reeds vernoemde helderheid maakt dit opzet het boek geschikt tot ver buiten academisch bereik. Wie begaan is met de breed-culturele actualiteit, filosofisch, moreel en politiek, vindt in dit boek een uitdagend aanknopingspunt.

                                                                                                                                                        Erik MEGANCK (Leuven)

Recensie