ROUSSEAU

Printvriendelijke versiePDF-versie
Paul De Hert
Evelien Van Beeck

Paul De Hert, Rousseau. De wandelende paradox. Kalmthout, Pelckmans, 2013, 191 pp., ISBN 9789028974326, 23.50 €

Ter  gelegenheid van de driehonderdste verjaardag van Rousseau stelt redacteur Paul de Hert het boek  Rousseau. De wandelende paradox. (2013) samen. Dit boek belicht met een tiental essays verschillende aspecten van Rousseaus filosofie maar ook van zijn leven, dat onlosmakelijk verbonden was met zijn filosofische opvattingen. Maarten Colette, Paul De Hert, Katrien Hormeans, Michel Huysseune, Willem Koops, Sylvie Loriaux, Paul Pelckmans, Jean-Marc Piret, Patrick Stouthuysen en Leo van Maris leveren elk hun bijdrage waardoor er een uitgebalanceerd en zo volledig mogelijk beeld van Rousseau ontstaat. Rousseau laten beschrijven door verschillende auteurs is een interessante keuze. Men ervaart hem wel eens als kameleon: het is de lezer die bepaalt wie Rousseau is al naargelang de ideeën die hij uit zijn omvattende oeuvre pikt. Paradoxale overtuigingen zorgen ervoor dat men hem in verschillende hokjes kan plaatsen. De geschiedenis leert dat dit ook daadwerkelijk gebeurde. Men kan in Rousseau zowel een totalitaire als een vrijheidsdenker zien, een rationalist als een gevoelsmens, diepgelovig en antiklerikaal, natuurliefhebber en revolutionair… Niet zelden krijgt men de indruk dat verschillende personen aan het woord zijn in één stem. Dit maakt dat eenieder wel iets in Rousseau kan zien, maar ook dat men gauw vervalt tot een eenzijdige visie op zijn werk. Misverstanden blijken haast onvermijdelijk in een Rousseau-interpretatie. Het is een sterke kant van dit specifieke boek over Rousseau om hier omzichtig mee om te springen. Elke auteur vertrekt consequent in zijn betoog van het gegeven dat Rousseau ‘een wandelende paradox’ is en dat hij dus op meerdere wijzen gelezen kan worden. Sterker nog, de auteurs deinzen er niet voor terug om deze paradoxen in de verf te zetten. Zij doen dit veelal door het bespreken van kritiek van andere auteurs.

Het mag duidelijk zijn dat om een juist zicht te krijgen op het werk van Rousseau men zich niet louter mag vastpinnen op één thema of boek. Rousseau houdt zich naast politieke filosofie bezig met cultuur, de autobiografie, de roman, de geschiedkunde, de opvoedkunde, de plantkunde, het theater en de muziekkunde. Verschillende werken komen dan ook in Rousseau. De wandelende paradox aan bod. De auteurs verwijzen zo onder andere naar Julie ou la Nouvelle Héloise (1757), naar Émile ou de l’éducation (1762), Du Contrat Social (1762) en Les rêveries du promeneur solitaire (1776). Jean-Marc Piret vangt het boek aan met een inleiding die vooral Rousseaus politieke filosofie toelicht. Een gemeenschap vormt zich wanneer burgers een contract sluiten waarin zij hun eigen vrijheid en gelijkheid waarborgen. Dit betekent een actieve bijdrage van eenieder, waarbij het geheel van stemmen ‘de soeverein’ vormt. Elk mens is van nature vrij. De enige legitieme wet wordt bepaald door de wetten, maar juist door zich hieraan te onderwerpen maakt de burger zich vrij. Rousseau is een provocateur die de confrontatie opzoekt. “Zijn filosofische reflectie helpt hem om een persoonlijke ervaring, de ervaring van zijn conflict als individu op het breukvlak van twee werelden, twee tijden, twee samenlevingen – de samenleving vòòr en na 1789 en de zich aftekenende industriële revolutie – te begrijpen; zijn eigen leven en innerlijk fungeren voor hem als uitgangspunt en model om filosofische vragen te beantwoorden; het is daarom niet toevallig dat de meeste karakteriseringen van en sleutels tot Rousseaus werk ook toepasselijk blijken op hem als persoon. Dit alles is relevant voor Rousseaus politieke reflectie.” (15)

Jean-Marc Piret, rechtsfilosoof, gaat in een eerste hoofdstuk verder op Rousseaus volkssoevereiniteit. Van belang daarbij is de rol van “de oorspronkelijke mens, de authentieke, niet door de beschaving bedorven natuurlijke mens” (19): de redding ligt in een hervorming van het maatschappelijke leven op basis van de legitieme heerschappij die door ‘de algemene wil’ ontstaat.  Eenieder is gelijk, maar het is nog maar de vraag of dit wel zo ideaal is. Voor bijvoorbeeld positieve discriminatie is er in Rousseaus model geen plaats. “Deze burgerreligie die onder andere het verbod van intolerantie bevat, is dus zelf uiterst intolerant tegenover afwijkelingen.” (37) Bovendien is Rousseaus samenleving enkel mogelijk binnen beperkte, kleine gemeenschappen.

Paul  De Hert, juridisch expert, diept in hoofdstuk twee Rousseaus vrijheid uit. Hij legt uit hoe de vrijheidsdenker Rousseau paradoxaal genoeg de mens dwingt om vrij te zijn. Vrijheid ontstaat volgens hem maar op basis van zelfwetgeving. “Vrijheid, gelijkheid en veiligheid zijn samen mogelijk via een af te sluiten sociaal contract.” (43) De burger wordt dus in staat geacht om te weten wat in het algemeen belang speelt. Wie dat niet doet, zal men hiertoe dwingen. Dat men soms moet buigen voor het algemeen belang is dus onvermijdelijk.  Slechts bij despotisme mag men in verzet komen. Deze visie op vrijheid zorgt ervoor dat Rousseau zowel als een humanistische liberaal, als een revolutionair of republikein en als een egalitair wordt beschouwd.

Hoofdstuk drie is voorbehouden voor Sylvie Loriaux, rechtsfilosofe. Zij onderzoekt Rousseaus sociaal contract in functie van het internationaal recht. Rousseau prefereert confederaties, maar dit is niet evident, aangezien de natuur van een volk steeds beïnvloed wordt door bijvoorbeeld klimaat, grond, vruchtbaarheid, gewoonten, consumptiepatronen. “De keuze voor politieke instellingen vergt een goede empirische kennis van de plaatselijke omstandigheden en het karakter van het volk waarvoor ze bestemd zijn. En, voegt Rousseau toe, dit is in het bijzonder het geval wanneer het volk in kwestie vooroordelen, smaken, passies, zeden, gewoonten en gangbare opvattingen heeft die zo diep geworteld zijn dat ze bijna onmogelijk kunnen worden veranderd.” (73) Dit houdt in dat verschillende volkeren in verschillende tijden verschillende systemen van wetgeving vereisen. Maar zijn ‘authentieke’ internationale wetten dan nog mogelijk? Bestaat er wel zoiets als een ‘internationale algemene wil’?

In hoofdstuk vier wordt een concrete uitwerking van Rousseau voor het eiland Corsica besproken. Michel Huysseune, politiek expert, legt uit hoe het eiland Saint-Pierre symbool stond voor de verwezenlijking van Rousseaus verlangen naar eenzaamheid. Hij verbindt dit met de opvoeding van Émile, die gevormd wordt tot een productieve burger juist door afgeschermd te zijn van verkeerde invloeden en moreel verval. Rousseaus plan neigt naar het utopische, hoewel het wel degelijk verbonden is aan de Corsicaanse revolutie. 

Hoofdstuk vijf wordt uitgewerkt door Willem Koops. Deze cultuurhistoricus gaat dieper in op de betekenis van Rousseau voor de hedendaagse ontwikkeling en opvoeding van kinderen. Hoewel Rousseau zelf van mening was dat Émile niet als een concreet opvoedkundig boek beschouwd mocht worden, heeft het wel dat effect gehad. Rousseau wilde vooral de decadentie van de toenmalige Franse cultuur afwijzen, maar zijn theorie werd omgezet in verschillende opvoedkundige modellen, onder andere dat van de beroemde ontwikkelingspsycholoog Piaget.

Of Rousseaus filosofie geldt voor dieren, is de hoofdvraag van hoofdstuk zes, uitgewerkt door Patrick Stouthuysen, politiek en sociaal denker. “De mens is flexibeler, maar de keerzijde daarvan is dat het hem aan natuurlijke begrenzingen ontbreekt.” (176) Vleeseten zou hiervan een symptoom zijn, aangezien niets in onze fysiologie erop wijst dat wij van nature uit vleeseters zouden zijn, zo redeneert Rousseau. Hij valt dan ook perfect te plaatsen binnen de geschiedenis van het ethisch vegetarisme.

In hoofdstuk zeven toont Leo van Maris, Franse taal-en letterkundige aan dat Rousseau “een hoofd vol illusies had.” (145) Hij baseert zich hiervoor op de Confessions. Rousseau groeide op met het lezen van romans en dit zou zijn idealen drastisch mee vormen. Paul Pelckmans, hoogleraar Franse literatuur,  pikt hier in hoofdstuk acht verder op in. Hij geeft aan dat Rousseau met zijn Confessions voor het eerst de mens in volle waarheid wil laten zien. Rousseau beschouwt zichzelf als bijzonder en dit komt soms over als morele superioriteit. “Jean-Jacques mag graag beweren dat hij uitzonderlijk is omdat hij karaktertrekken die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken op een onverwachte manier combineert.” (181). Dit verwijst opnieuw naar Rousseaus paradoxale persoonlijkheid.

Tot slot gaat hoofdstuk negen over het verlangen van Rousseau naar transparantie en authenticiteit. Katrien Horemans, taal-en letterkundige, schrijft hoe Rousseau ernaar verlangde (h)erkend te worden in zijn ware identiteit die volgens hemzelf uniek was. Rousseaus keuze voor een postume publicatie trekt de waarachtigheid van zijn bekentenissen echter in vraag.

Het grootste deel van Rousseau. De wandelende paradox is hoofdzakelijk politiek. Dit maakt dat het boek zich hoofdzakelijk richt tot mensen die specifiek hierin geïnteresseerd zijn. De andere thema’s die aan bod komen (pedagogie, vegetarisme, bekentenissen,…) dienen naar mijn mening in dit boek om Rousseaus sociaal contract te documenteren en zo begrijpelijk te maken. Het valt mij tijdens het lezen van het werk vooral op hoezeer Rousseaus leven verbonden is met zijn filosofie en hoe diepgeworteld zijn idealen zijn. De auteurs die aan dit boek meewerkten hebben dit dankzij hun verschillende perspectieven en eigen stijl helder weten te stellen, wat het boek vlot, afwisselend en aangenaam leesbaar maakt.

Evelien VAN BEECK (Leuven)

Recensie