Variaties op profanatie

Printvriendelijke versiePDF-versie
Giorgio Agamben
Tim Christiaens

Giorgio Agamben (vert. Ype de Boer), Profanaties, vert. d. de Boer Y.. Amsterdam, Boom, 2015, 112 p., ISBN 9789089534538, 14.90 €.

Bepaalde muziekstukken zijn variaties op eenzelfde thema. Zo vormt Bachs Vom Himmel hoch da komm’ ich her een reeks van vijf variaties op een hymne van Maarten Luther. Agambens boek Profanaties kan ook gelezen worden als variaties op één vraag: hoe gaan we om met wat ons in het leven niet toebehoort? Volgens Agamben is het subject fundamenteel gespleten en moeten wij een manier vinden om vredig met het onpersoonlijke in ons leven om te gaan. In Profanaties onderzoekt hij dit thema in diverse fenomenen, zoals het spiegelbeeld, fotografie, auteurschap, enzovoort..

Het paradigma van de scheiding vindt Agamben in de religie, namelijk in de manier waarop de heiliging een voorwerp scheidt van zijn menselijk gebruik. Een vaas dient om bloemen in te bewaren, maar een heilige vaas is een voorwerp van verering, ontdaan van enig aards gebruik. Deze scheiding heeft echter implicaties buiten de religie. De mens en zijn artefacten zijn tot ontelbaar veel zaken in staat, maar sociale en juridische normen leggen specifieke functies op aan de dingen. Een doos dient om spullen in te bewaren, taal dient informatie mee te delen en de mens is bovenal een rationeel dier. Af en toe worden wij echter geconfronteerd met het onpersoonlijke, wat niet ondergeschikt kan worden aan een specifieke functie. Zo kan een foto een onbeduidende geste van een ondertussen lang vergeten individu een evocatieve kracht geven die elke functionaliteit overstijgt. Het gelaat van de gefotografeerde toont dat hij meer was dan wat wij nu nog van hem weten.

Het kapitalisme drijft de scheidingsoperatie ten top. Het eigent zich het onpersoonlijke zelf toe. De potentialiteit van de gefotografeerde, die elke functionaliteit oversteeg, vindt haar keerzijde in de pornografie, waar het gelaat van de pornoactrice een blank canvas is voor eender wat de klant wil zien. Waar vroegere critici het kapitalisme verweten het menselijke gelaat ondergeschikt te stellen aan een specifieke functie, zoals het verkopen van producten via reclames, daar ziet Agamben dat het kapitalisme is geëvolueerd. Net door het gelaat, en bij uitbreiding alle koopwaar, te ontdoen van een specifieke functie, laat het kapitaal de consument vrij om zelf de functie van de koopwaar te bepalen.

Ondanks deze nefaste ontwikkelingen pleit Agamben niet voor een terugkeer naar een meer oorspronkelijke realiteit die aan de gespletenheid zou voorafgaan. Van zodra het leven zich inschrijft in collectieve activiteiten, moet het zich onderwerpen aan apparaten die het scheiden van zijn oorsprong. Er is altijd iets onpersoonlijks aan het leven.

In plaats van een vereniging van het gespletene te zoeken, beschrijft Agamben de mogelijkheid tot profanatie, het teruggegeven van het heilige aan de mens voor gemeenschappelijk gebruik. Door de dingen van hun functie te ontdoen, openen zich wegen voor een nieuw gebruik. Spelende kinderen, bijvoorbeeld, behandelen de wereld niet als een verzameling objecten met vooraf vastgestelde rollen, maar veranderen voorwerpen in speelgoed. Wat vooraf een doos was om zaken in op te bergen, is plots een helm of een huis geworden. De scheiding tussen de potentialiteit en de functie van de dingen moet niet zozeer worden vernietigd, maar veronachtzaamd. Zelfs de kapitalistische functie om elke functie te herroepen, kan geprofaneerd worden, hoewel Agamben daar een voorbeeld schuldig blijft.

Profanaties is een van Agambens meest poëtische boeken. Bijgevolg is het niet enkel een intellectueel, maar ook een literaire bron van inspiratie. Bovendien is het thema van het boek ook de centrale probleemstelling van heel Agambens filosofie. De relatie tot het onpersoonlijke en de profanatie van het heilige vormen immers de kern van zijn bekendere Homo Sacer-project. Het nadeel van de evocatieve schrijfstijl is dat niet altijd duidelijk is wat Agamben bedoelt en hoe zijn categorieën toepasbaar zijn op andere fenomenen. Dat probleem kan echter verholpen worden door de verschillende essays tezamen en naast elkaar te lezen. Aangezien ze variaties op hetzelfde thema zijn, kunnen ze elkaar verhelderen.

De vertaling en commentaren van Ype de Boer zijn prijzenswaardig. Zijn nawoord vormt een uitstekende inleiding in het denken van Agamben en legt de band met het ruimere project van de Homo Sacer-reeks. De Boer beargumenteert ook zijn vertalingen voor Agambens kernbegrippen, hoewel er over sommige daarvan te discussiëren valt (bijvoorbeeld essere qualunque door ‘willekeurig zijn’). Ook de toegevoegde eindnoten dragen bij tot een beter verstaan van de tekst en verwijzen de geïnteresseerde lezer door naar andere teksten voor verdere uitwerking. Af en toe sluipen er hier echter redactionele fouten in, zoals de verwijzing naar Walter Benjamins Über das Gewalt in plaats van Kritik zur Gewalt (p. 111n23). Deze enkele ‘valse noten’ doen echter niets af aan de Boers uitstekende academisch werk en vertalingsarbeid.

Tim CHRISTIAENS (Leuven)

Recensie