Waarheid en methode: Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek

Printvriendelijke versiePDF-versie
Hans-Georg Gadamer
Paul Van Tongeren

Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, uit het Ned. vert. d. Mark Wildschut, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2014, 518 p. € 34,50 ISBN 978 94 6004 177 8

Het verschijnen van de Nederlandse vertaling van Wahrheit und Methode is een goede aanleiding om opnieuw de aandacht te vestigen op dit nog steeds zeer actuele boek dat voor het eerst verscheen in 1960. Vertaler Mark Wildschut verdient lof voor zijn prachtige vertaling van de niet altijd gemakkelijke tekst, en de Nijmeegse Uitgeverij Vantilt voor de publicatie ervan. Het is weer een zeer mooie en goed verzorgde uitgave geworden zoals eigenlijk steeds bij deze uitgever het geval is. De vertaling van Wildschut is helder en trouw aan de tekst. Soms levert dat mooie vondsten op, bijvoorbeeld wanneer “Freilegung der Wahrheitsfrage” wordt vertaald met “Het opdelven van de waarheidsvraag”. Soms is de vertaler opmerkelijk bescheiden, bijvoorbeeld als hij het onvertaalbare “Wirkungsgeschichte” maar gewoon als “werkingsgeschiedenis” vernederlandst. Hier en op een paar andere plaatsen (zoals bij het woord ‘Verstehen’, bij ‘Lichtung’ en nog een paar keer) verantwoordt hij in een voetnoot zijn keuze voor de wijze waarop hij een woord vertaalt en voor het al of niet consequent vasthouden aan eenzelfde vertaling van een woord. Maar ook in deze toelichtingen wordt een bescheiden maat betracht. Die bescheidenheid siert de vertaler in het algemeen, maar zeker bij dit boek van een auteur die misschien wel op de eerste plaats gekenmerkt wordt door zijn bescheidenheid.

De auteur, Hans-Georg Gadamer (1900-2002), was al 60 jaar oud toen het boek verscheen en hij had tot dan toe nog relatief weinig gepubliceerd. In het huidige bestel zou hij problemen hebben gekregen vanwege zijn beperkte lijst van publicaties (die ook nog eens niet in het Engels waren). Maar Gadamer heeft als hoogleraar altijd de voorrang gegeven aan zijn onderwijs, en bovendien vormde zijn bescheidenheid een rem op voortijdige en overdadige publicaties: zijn weinige vroege publicaties noemt hij later “nogal grof spul” en later schrijft hij: “Naarmate ik meer wist, werd ik zwijgzamer.” Behalve deze voorbeeldige houding van de auteur, die overigens niet verhinderd heeft dat zijn verzameld werk toch 10 kloeke banden omvat, bevat ook zijn belangrijkste boek een belangrijke boodschap voor onze tijd.

Waarheid en methode biedt “Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek”, zoals de ondertitel in Nederlandse vertaling luidt. Hermeneutiek is de kunst van de interpretatie, en een filosofische hermeneutiek is een wijsgerige theorie die uitlegt waarom interpretatie van belang is, waarin zij bestaat en hoe zij plaats vindt. Dat klinkt abstract, maar staat eigenlijk veel dichter bij onze concrete alledaagse ervaring dan de meeste (populair-)wetenschappelijke theorieën waarover we in kranten en tijdschriften kunnen lezen. Terwijl daar veelal de neiging bestaat menselijk handelen te reduceren tot dierlijk gedrag of te verklaren uit biologische, neurologische of ethologische feiten en wetmatigheden, stelt de hermeneutiek dat menselijk leven fundamenteel gekenmerkt wordt door betekenis. Simpel gezegd: als een koe een hongerprikkel voelt gaat ze grazen, maar een mens die honger voelt, kijkt op zijn horloge en vraagt zich af of het al tijd is, of het wel gezond is nog iets te nemen, enzovoort. Ongetwijfeld is er in het organisme van die mens ook ergens een prikkel werkzaam geweest, maar die verschijnt voor een mens als ‘honger’, dat wil zeggen als een betekenis, die verwijst naar een heel netwerk van betekenissen (gezondheid, tijd, gezelschap en zo verder). Welnu: betekenissen vragen om uitleg omdat ze nooit simpelweg als ‘feit’ gegeven zijn. Niet alleen op het alledaagse praktische niveau (Is het wel echt ‘honger’ wat ik voel? Hoe zal ik ermee omgaan?); maar ook theoretisch doemen hier allerlei vragen op: Hoe hebben we die betekenissen leren verstaan? Wat is de rol van gemeenschap en traditie daarbij? Hoe weten we eigenlijk of we adequaat verstaan, hoe zoeken we zekerheid in onze interpretaties van wat we menen te verstaan en hoe bewaren we de openheid in ons interpreteren, zodat ervaringen ook nieuwe betekenissen kunnen krijgen? En wat zegt het over de werkelijkheid dat ze slechts via interpretaties voor ons toegankelijk is?

Waarheid en Methode levert de ‘hoofdlijnen’ van een theorie over deze en dergelijke vragen. Het boek bestaat uit drie delen, die achtereenvolgens kunnen worden aangeduid als een esthetica een ethica en een ontologie, en waarvan volgens mij het middelste het belangrijkste is: het eerste deel bereidt daarop voor door aan de hand van kunst te de ervaring van betekenis allereerst te tonen en te laten zien dat ‘waarheid’ op het gebied van de betekenis iets anders is dan waarheid in de wetenschappelijke kennis. Deze waarheid vraagt betrokkenheid in plaats van distantie; geen objectiviteit tegenover een subject, maar deelachtig worden aan een ervaring. Het laatste deel geeft de ontologische uitwerking van de eigenlijke theorie, en laat zien dat “verstaan van betekenis” altijd in taal gebeurt. De these van dat deel kan worden samengevat in de beroemde formule: “Zijn dat verstaan kan worden, is taal”. In het belangrijke middendeel wordt de eigenlijke theorie van het verstaan uitgewerkt. De kortste samenvatting daarvan is misschien deze: “betekenis verstaan” is ingevoerd worden in een traditie, die bestaat in een gesprek tussen interpretaties, waaraan je leert deelnemen door te luisteren en geleidelijk zelf mee te spreken. De beroemde term “werkingshistorisch bewustzijn” staat daarom voor het besef deel uit te maken van zo’n gesprek van interpretaties, al voordat men er bewust aan deelneemt; een besef dat zich niet (idealistisch) onttrekt aan datgene waarvan het zich bewust is. Als ik dit middendeel aanduid als een ‘ethica’ is dat omdat het Aristotelische begrip phronesis daarin centraal staat (het eerste college dat Gadamer als student bij Heidegger volgde, ging over deze notie). Deze praktische verstandigheid verbindt zicht op het doel en beheersing van de middelen, kennis van algemene regel en het vermogen die toe te passen in een bijzondere situatie met elkaar in een weten dat altijd geëngageerd is, dat wil zeggen: betrokken op een zorg voor zichzelf en de eigen gemeenschap. Dat is voor Gadamer het model van menselijk verstaan, en daarom zal hij zijn hermeneutiek aanduiden als een praktische filosofie.

Gadamer zelf bedoelde de titel van zijn boek, Waarheid en methode, in ieder geval ook polemisch: als contrapunt in een tijd waarin de exacte en technische wetenschappen, hun (empirische) methoden en hun begrip van objectiviteit het patent lijken te hebben op ‘ware’ kennis. Hans-Georg Gadamer (zoon van een natuurwetenschapper die eigenlijk slechts minachting had voor de softe dingen waarmee zijn zoon zich bezig hield) wil daar tegenover laten zien dat kennis die recht wil doen aan de menselijke werkelijkheid (die immers altijd een werkelijkheid van betekenis is) andere eisen stelt. Als ‘wetenschap’ wordt gelijkgesteld aan ‘natuurwetenschap’ en ‘methode’ wordt geïdentificeerd met de methoden daarvan (of met de daarvan afgeleide empirische en kwantitatieve methoden van de sociale wetenschappen) dan is wetenschap van de menselijke werkelijkheid a- of zelfs anti-methodisch, en dan is ‘geesteswetenschap’ een oxymoron.

Het boek heeft een grote invloed gehad in wetenschap en filosofie. En het is vooral van blijvende betekenis voor elke geesteswetenschap die haar voorwerp (en wat is dat anders dan de ‘geest”’ zijn werking en zijn producten) niet wil opofferen aan een eenzijdig begrip van ‘wetenschap’. In de huidige situatie waarin de geesteswetenschappen meer nog dan voorheen, en zowel van binnen uit als van buiten af bedreigd lijken door een aan ‘empirische wetenschap’ ontleend wetenschapsideaal, is het boek van onverminderde actualiteit en de Nederlandse vertaling zeer welkom.

De grote invloed en betekenis van het werk staat overigens in een opmerkelijk contrast met de bescheidenheid van zijn auteur: toen aan de 90-jarige Gadamer – aan het eind van een lang interview – gevraagd werd of hij zijn filosofische hermeneutiek in één zin zou kunnen samenvatten, antwoordde hij zonder aarzeling positief: ‘Het zou kunnen zijn dat de ander gelijk heeft’.

Paul VAN TONGEREN (Nijmegen/Leuven)

Recensie