WAT DOET ONS DENKEN?

Printvriendelijke versiePDF-versie
Jean-Luc Nancy & Daniel Tyradellis
Evelien Van Beeck

Jean-Luc Nancy & Daniel Tyradellis, Wat doet ons denken?, Kalmthout, Pelckmans, 2015, 82 pp., ISBN 9789028982000, 16.95 €

Was heißt uns Denken? is de titel van het gesprek dat Daniel Tyradellis met Jean-Luc Nancy aangaat naar analogie met Heideggers vraag Was heißt Denken?. Daniel Tyradellis (1969) is Duits filosoof en actief in het denken over kunst. Jean-Luc Nancy (1940) is Frans filosoof en auteur van meer dan vijftig boeken over de meest uiteenlopende thema's. Hij schreef onder andere Être singulier pluriel (1996), La déclosion (Déconstruction du Christianisme 1) (2005) en als vervolg hierop L’Adoration (2010). Op de vraag wat ons denken doet, antwoordt hij trouw aan die denkers die hem sterk beïnvloed hebben, naar eigen zeggen niet zonder schok. In het bijzonder gaat het om Heidegger en Hegel, maar ook om zijn leermeester en vriend Derrida, die hem eens post-deconstructionist noemde. Toch richten Tyradellis  en Nancy zich in hun vraag-antwoord-gesprek niet louter tot een academisch publiek waardoor het toegankelijk wordt voor een breder publiek: iedereen denkt dat hij denkt. Echter, de vraag van het denken, meer bepaald ons denken, dat – zoals Nancy benadrukt – zich steeds aan 'gene zijde' van onszelf bevindt,  situeert zich steeds 'in een relatie van liefhebben'. Dit noopt tot een zekere afstand om ruimte voor het verlangen te creëren, meer bepaald “als een verlangen naar en een welgevallen tegenover iets wat we niet kennen, wat we niet alleen niet kennen, maar ook niet kunnen vatten.” (10)  Met andere woorden, men kan het denken benaderen maar nooit als doel bekomen. Nancy benoemt zichzelf dan ook niet als denker, en voegt daar terzelfdertijd aan toe dat niemand dat kan. “We leren slechts om te filosoferen, maar we worden nooit filosoof. Dat ligt eigenlijk al in het woord ‘filosoof’ besloten.” (9) Beslissend in het denken is dus een zekere differentie, namelijk die van “het weten dat we nog niet tot weten in staat zijn.” (12) Tegelijk moeten we ons volgens Nancy vooral de vraag stellen hoe dit een weten is. Was denken een actueel gebeuren, dan verviel elke afstand tot de wereld, tot de anderen maar ook tot zichzelf. Dat is het dus niet. Het denken kan daarom wél opgevat worden als een verlangen – niet door een gemis, maar in de zin van een spinozistische gerichtheid of conatus, aldus Nancy.

Tyradellis en Nancy buigen zich vervolgens over de culturele aspecten van het hedendaagse denken. Zij plaatsen dit onder de noemer van ‘media van het denken’. De toenemende informatisering dient als een proces achter het zichtbare, dat desalniettemin het denken mee bepaalt. Nancy beschrijft hoe hij dit ervaart als een verlies, maar ook als een risico op versnippering en oppervlakkigheid. Er gaan bepaalde vormelijkheden verloren, zoals bijvoorbeeld het schrijven van brieven, en er is dus wel nog steeds communicatie, maar de omgang verandert. Een ander voorbeeld is de mogelijkheid tot een snelle redactie en verwerking van teksten, wat zijn voordelen heeft, maar er misschien ook voor zorgt dat we er te snel aan voorbij gaan. Dergelijke gedachtegangen insinueren dat er een zekere zuiverheid zou bestaan op het gebied van het denken, een denken-an-sich, maar Nancy gaat hier niet dieper op in. Wel wijst hij bij wijze van cultuurdiagnose erop dat er geen allesomvattend Weltbild (term van Heidegger) meer bestaat. Betekenissen zijn altijd gebonden aan een welbepaald moment, er is geen totaliteit meer zoals we die bijvoorbeeld kenden in de wereld van de goden. Eens te meer is een belangrijke rol weggelegd voor het Mitsein – een term die Nancy duidelijk aan Heidegger ontleent. Voor Nancy echter heeft het Mitsein een pedagogische dimensie, om welke reden hij voorstelt er een Mit-da-sein van te maken. “We dienen niet alleen samen er te zijn, da zu sein, maar evenzeer een Da, een ‘daar’ te vormen of te openen […]. En dit daar is allerminst een middel tot een doel, maar het doel zelf – een ‘daar’ dat een mogelijkheid opent om te ex-isteren.” (33) Er is een leraar en een leerling die een ‘oord’ van denken creëren dat beschouwd kan worden als een gemeenschappelijk ‘daar’. Bovendien heeft het mede-zijn naar Nancy’s opvatting ook een meer lichamelijk-geslachtelijk-seksuele betekenis . Het denken is dus een lichamelijke activiteit – wat hij opnieuw in verband brengt met het denken-als-verlangen. Het is gericht op iets dat wij nog niet kennen, omdat wij het nog niet denken. Het richt zich naar het verbindende boven wat realistisch is, maar houdt een openheid voor de mogelijkheid van dat gebeuren.

Wat doet ons denken? is een boeiende, dynamische dialoog over een thema waar filosofen reeds eeuwenlang mee worstelen, namelijk de aard en de grenzen van het denken. Zij vereist geen specifieke voorkennis, al zijn de derridiaanse en heideggeriaanse invloeden duidelijk herkenbaar voor wie meer vertrouwd is met het werk van deze filosofen. Nancy stipt bovendien elementen van zijn eigen filosofie aan maar laat ze even snel weer los, wat het boek toegankelijk maakt voor de leek, maar hem eens te meer uitnodigt tot verder onderzoek.

Evelien VAN BEECK (Leuven)

Recensie