Theo Francken over migraties: hoe volledig is ‘gans het verhaal’?

Printvriendelijke versiePDF-versie
Johan Leman

“Als we kijken naar gans het verhaal van de migratiecrisis of de vluchtelingencrisis, hoe komt het dan dat het de laatste jaren tot een verhoging komt? (…) Er is één endogene oorzaak en er zijn drie exogene oorzaken” (de Staatssecretaris, voortaan T.F., in een toespraak voor het KVHV aan de Ugent, 2017).

 

Een endogene oorzaak?

Met de endogene oorzaak bedoelt T.F. “iets wat we onszelf hebben aangedaan”.  Het intrigeert om te weten wat op gelijke hoogte als de uitwendige oorzaken, de vluchtelingencrisis zou hebben doen toenemen. Welnu, dit blijkt een uitspraak van het Hof in Straatsburg te zijn, nl. de casus Hirsi. Hirsi werd op de Middellandse zee door een Italiaans marineschip gered. Straatsburg oordeelde dat dit Hirsi het recht gaf om in Italië asiel aan te vragen.

Akkoord, die uitspraak heeft een precedentwaarde en andere kandidaat-asylanten kunnen er zich op beroepen. Maar staat zoiets op dezelfde hoogte als de exogene oorzaken die de Staatssecretaris vermeldt? Met name, Afrika’s demografische explosie (2,7 miljard inwoners in 2050), de droogte en een geheel van oorlogen en conflicten in het Nabije Oosten en Afrika. Ik denk het niet.

 

Migratieprocessen -  Migratiecrisis

In mijn Migraties en interculturele toekomst (Garant, 2017) heb ik in een eerste deel zelf ook geprobeerd om “gans het verhaal” over de migraties te schetsen. De uitwendige oorzaken die T.F. aangeeft, maken er deel van uit, maar mijn verhaal is complexer en, naar ik hoop, rijker en minder defensief. Als globaal kader zie ik, ten eerste, de mondialisering van de arbeidsmarkt (waar zich momenteel veel hoger geschoolden in bewegen, meerdere tienduizenden in Brussel alleen al) en, ten tweede, de verstedelijking van de wereldbevolking (die zal meebrengen dat er aan het eind van de 21ste eeuw enkel nog verstedelijkte cultuur zal overblijven). Er zal, ten derde, ook een toename plaats vinden van de scholarisatie (wat veel jonge en geschoolde mensen in beweging zal brengen).

Staan die drie fundamentele bewegingen voor een crisis? Het zijn bewegingen die op de eerste plaats positieve opportuniteiten in zich dragen, maar ze zullen zoals alle fundamentele verschuivingen niet rimpelloos verlopen.

Concreet. De verstedelijkingsmigraties vinden eerst plaats in de landen van herkomst (China, Brazilië, Marokko,…), maar leiden tot een spin-off naar het buitenland, bijvoorbeeld naar het Westen. Verwonderlijk? Absoluut niet. De toenemende scholarisering zal meebrengen dat jongeren zich zullen conformeren aan de mondialisering van de arbeidsmarkt. Dat is allemaal heel normaal.  Welnu, het is belangrijk om dit ruimere kader te blijven zien als men spreekt over migratiecrisissen en mogelijke oplossingen. Anders riskeer je, zoals in de toespraak van de staatssecretaris gebeurt, dat enkel de negatieve aspecten van migraties en de repressieve maatregelen heel concreet worden, repressieve maatregelen waarvan de neveneffecten soms erger zijn dan hetgeen waarvoor ze bedoeld zijn.

Dit lijkt me het zwakke punt te zijn in de toespraak van de Staatssecretaris. Wat hij “gans het verhaal” noemt, is in feite een beperkt verhaal, dat focust op de negatieve aspecten die deels de onvermijdelijke rimpels zijn van een groter gebeuren, deels het gevolg zijn van inter-etnische en inter-levensbeschouwelijke conflicten.

 

De analyse van de Staatssecretaris

Als oorzaken voor de crisissen ziet T.F. oorlog en verdrukking, demografische druk en klimaat. Grosso modo is dit correct, zij het onvolledig. De demografische evoluties zijn niet rechtlijnig. Vanaf 2060 stabiliseert de wereldbevolking. Daarnaast ziet hij een aantrekkingskracht uitgaan van de casus Hirsi. Zoals ik al schreef, dat laatste lijkt me echt overtrokken. Hij staat ook heel lang stil bij een van de concrete maatregelen, die het voordeel heeft zeer concreet te zijn, maar het nadeel dat de staatssecretaris zelf terecht vindt dat het de laatste maatregel is die hij – en dan nog met morele weerzin – zou voorstellen. Het gaat om het bouwen van muren rond Europa. Zelf heb ik uiteraard ook morele bezwaren, maar ik heb daarnaast heel praktische bezwaren. Zo’n muren, zoals Orban die realiseert, leiden enkel tot lokale oplossingen en tot verplaatsingen van het probleem. Daarenboven hebben ze het enorme nadeel dat ze de lucratieve mensensmokkel sterk in de kaart spelen en tegelijk dus ook de illegale investeringen in de Europese en wereldeconomie faciliteren. Met andere woorden: eigenlijk is dit een maatregel die, bij veralgemening,  heel veel schade veroorzaakt aan de legale economie.

Er is echter een aspect in de beleidsaanpak van de staatssecretaris dat bijzondere aandacht verdient. Het gaat om zijn pleidooi om de ontwikkelingshulp te heroriënteren op de nabuurlanden van de Europese Unie. Die nabuurlanden zouden tot bufferstaten omgevormd moeten worden en als zodanig een voorkeursbehandeling moeten krijgen bij het toekennen van fondsen uit de pot van de ontwikkelingssamenwerking. Laten we heel concreet zijn. Het gaat dus om het politieke leiderschap in Libië, Egypte, Marokko, Turkije?, dat bij voorkeur van onze ontwikkelingssamenwerking zou moeten kunnen genieten, daaronder verstaan dat het beleid er op korte en middentermijn de migraties buiten Europa zou houden.

Mogen wij ons daarbij enkele vragen stellen? Bijvoorbeeld een moreel-politieke vraag: is dit de wereld die wij willen? Een pragmatisch-politieke vraag: worden we dan niet volledig chanteerbaar door die bufferstaten? Een derde vraag: moeten wij dan ook Rusland vanuit de ontwikkelingssamenwerking steunen of vanuit die migratievisie politiek herbekijken? Want naast de mediterrane routes is er ook nog een Oost- en Noord-Europese route en we weten dat die route vandaag al door vluchtelingen bijvoorbeeld uit Somalië en Afghanistan gebruikt wordt.  Dus, een vergelijk met Rusland, waar op zich niets tegen in te brengen is, dringt zich op. Maar, hoe chanteerbaar en fundamenteel verzwakt komen we daaruit niet te voorschijn als Europese landen?

 

Heeft de staatssecretaris dan nergens een punt?

Heeft de Staatssecretaris geen punt, als hij vindt dat sommige gevaarlijke overtochten in het kader van de migraties best vermeden worden? Of dat we niet in een land leven waar migraties van om het even wie zo maar aanvaard kunnen worden?

Zakelijk. Wat men weet, is dat mensen, die hun land in eerste instantie ontvluchten naar een buurland, vaak verder doorvluchten naar Europa omdat tewerkstelling voor de ouders en onderwijs voor de kinderen ontbreken in het buurland waar zij aanbeland zijn. Dit is in mijn ogen een argument om een Europese benadering uit te werken waarbij in de nabuurlanden waaruit mensen vluchten, gezorgd zou worden voor voldoende verloonde jobcreatie voor de ouders en scholing van de kinderen. Want inderdaad, bij migratiecrisissen en bij het zoeken naar oplossingen, blijft de logica van het ruimere kader van kracht waarbinnen de mobiliteiten op wereldvlak plaats vinden. Mensen, ook vluchtelingen, zoeken – bij hun vluchten voor oorlog en geweld – als het enigszins mogelijk is, tegelijk ook positieve stedelijke cultuur op én educatieve en economische ontwikkeling. Een crisisopvang die daar buiten Europa, in de bufferstaten niet aan tegemoetkomt, zal falen en zal de migraties niet afremmen. Met andere woorden, zolang men dit in landen als Libanon niet kan waarborgen, zullen muren die in Europa opgetrokken worden enkel tot langere omleidingen leiden en tot meer inkomsten voor mensensmokkelaars.

Zoiets moet echter niet gedacht worden vanuit een heroriëntatie van de ontwikkelingshulp, maar veeleer vanuit algemeen Europees beleid. Het moet een fundamenteel onderdeel worden van een proactief Europees veiligheidsbeleid in NATO- en ander Europees verband. Mijn uitnodiging, gericht tot de Staatssecretaris, bestaat er niet in om zijn verhaal af te breken, maar om het ruimer te maken en om zich vooral niet te verliezen in het afwegen van allerlei schijnmaneuvers (zoals de vraag of muren efficiënt zijn en of de casus Hirsi nu echt zo’n ramp is).

Is de stap die hij dan tijdens zijn betoog ook nog eens zet naar de islam weerom iets wat beter niet gebeurt? Laat me het zo stellen: ik wuif die stap niet gans weg, al was het maar omdat veel mensen migratie en islam vandaag als één cocktail percipiëren.

 

Quid islam bij een verhaal over migraties?

De redenering van T.F. is dat de migratiecrisis vandaag emotioneel zo gevoelig ligt omdat er in de perceptie van de mensen een vermenging bestaat met de islam. Ik denk dat hij gelijk heeft. Terecht ook wijst hij erop dat er een probleem is van organisatie van de islam, met kwalijke gevolgen: “onder andere het feit dat er zo weinig moskeeën erkend zijn, het feit dat er geen imamopleiding is, nog altijd niet, het feit dat veel van de islamleerkrachten nog altijd niet het adequaat diploma hebben.” Veel mensen ervaren dit inderdaad als niet geruststellend.

      Maar sorry, ook hier pleit ik ervoor dat de staatssecretaris zijn verhaal vollediger zou maken. Inleidend wil ik al aangeven dat ik geenszins akkoord ga met het feit dat T.F., zoals veel andere politici, tijdens zijn toespraak blijft herhalen dat “de Moslim Executieve is eigenlijk het bisdom, het aartsbisdom van de moslims.” Dit is een misverstand. Een (aarts)bisschop heeft weliswaar theologische en kerkorganisatorische autoriteit, maar niet noodzakelijk de administratieve bevoegdheid om ‘het tijdelijke’, het materiële te regelen. Als het beheer van dit administratieve in België bij de bisschoppen gelegd wordt, is dit omdat de Belgische overheden die cumul aan hen toegekend hebben. Maar daaruit volgt logisch gezien niet dat in een andere godsdienst een instantie die een administratieve bevoegdheid krijgt, noodzakelijk ook een theologische autoriteit moet of kan worden. De Moslim Executieve heeft geen theologische of islam-organisatorische bevoegdheid zoals bisschoppen die hebben.

      Waar T.F. het wél juist heeft, is waar hij stelt dat die Executieve vaak gedisfunctioneerd heeft in haar administratieve taken omwille van haar verdeeld zijn over allerlei clans. Wat hij niet vermeldt, is dat ze ook disfunctioneert omwille van de voortdurende inmenging van buitenlandse ambassades (waar de Belgische overheden al meer dan twintig jaar over ingelicht zijn, zonder in te grijpen, gelet op de koppeling ervan aan dossiers over de veiligheid). En wat verder ook een feit is, is dat de Vlaamse zowel als de Franse gemeenschap sedert eind jaren 90 perfect prioritair werk hadden kunnen maken van de opleiding of bijscholing van imams, gekoppeld aan een erkenningsdossier en/of aan het verlenen van visa. Zij hebben dit echter nooit gedaan. Laten we dus de disfuncties, en vooral de vermeende gevolgen ervan, zien als een gedeelde verantwoordelijkheid van zowel Executieve als van Belgisch/Vlaams/Waals overheidsbeleid.

Artikel